|
BS 232 |
Publicatie : 2000-12-01 |
| MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN, BUITENLANDSE HANDEL EN INTERNATIONALE SAMENWERKING |
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de
Grondwet.
Art. 2. Het Statuut van Rome van het Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te
Rome op 17 juli 1998, zal volkomen gevolg hebben.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en
door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 25 mei 2000.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Buitenlandse Zaken,
L. MICHEL
De Minister van Landsverdediging,
A. FLAHAUT
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
_______
Nota
(1) Zitting 1999-2000.
Senaat
Documenten. - Ontwerp van wet ingediend op 3 februari 2000, nr. 2-329/1. -
Verslag, nr. 2-329/2. - Tekst aangenomen in vergadering en overgezonden aan de
Kamer, nr. 2-329/3.
Parlementaire Handelingen. - Bespreking en stemming. Vergadering van 2 maart
2000.
Kamer
Documenten. - Tekst overgezonden door de Senaat, nr. 50-492/1. - Verslag, nr.
50-492/2.
Parlementaire Handelingen. - Bespreking en stemming. Vergadering van 27 april
2000.
STATUUT VAN ROME INZAKE HET INTERNATIONALE STRAFGERECHTSHOF
Preambule
Zich bewust van het feit dat alle volken verenigd zijn door nauwe banden en hun
culturen zijn samengebracht in een gemeenschappelijk erfgoed, en bezorgd dat dit
broze mozaïek ieder moment kan uiteenvallen,
Indachtig het feit dat in de loop van deze eeuw miljoenen kinderen, vrouwen en
mannen het slachtoffer zijn geweest van onvoorstelbare wreedheden die het
geweten van de mensheid hevig schokken,
Erkennend dat dergelijke zware misdaden een gevaar vormen voor de vrede, de
veiligheid en het welzijn van de wereld,
Bevestigend dat de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap
met zorg vervullen niet onbestraft mogen blijven en dat een doeltreffende
vervolging daarvan moet worden verzekerd door het treffen van maatregelen op
nationaal niveau en door het versterken van de internationale samenwerking,
Vastbesloten paal en perk te stellen aan de straffeloosheid van de daders van
deze misdaden en daardoor bij te dragen aan het voorkomen van dergelijke
misdaden,
In herinnering brengend dat het de plicht is van elke Staat om zijn rechtsmacht
in strafzaken uit te oefenen over degenen die verantwoordelijk zijn voor
internationale misdrijven,
Opnieuw bevestigend de doeleinden en beginselen van het Handvest van de
Verenigde Naties, en meer in het bijzonder het feit dat alle Staten zich moeten
onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld ten aanzien van de
territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een Staat, of van
elke andere daad die onverenigbaar is met de doeleinden van de Verenigde Naties,
Benadrukkend in dit verband dat niets in dit Statuut mag worden beschouwd als
een machtiging aan een Staat die Partij is om te interveniëren in een gewapend
conflict in de binnenlandse aangelegenheden van een Staat,
Vastbesloten hiertoe, alsmede in het belang van de huidige en toekomstige
generaties, een onafhankelijk permanent Internationaal Strafgerechtshof in
samenhang met het systeem van de Verenigde Naties op te richten, met rechtsmacht
ten aanzien van de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap
met zorg vervullen,
Benadrukkend dat het krachtens dit Statuut opgerichte Internationale
Strafgerechsthof complementair zal zijn aan de nationale rechtsmacht in
strafzaken,
Vastbesloten een duurzame eerbiediging van de naleving van internationale
rechtspleging te waarborgen,
Zijn overeengekomen als volgt :
HOOFDSTUK I. - Oprichting van het Hof
Artikel 1
Het Hof
Een Internationaal Strafgerechtshof (« het Hof ») wordt hierbij opgericht. Het
is een permanente instelling met de bevoegdheid rechtsmacht uit te oefenen over
personen ter zake van de in dit Statuut bedoelde ernstigste misdaden met
internationale draagwijdte, en die complementair zal zijn aan de nationale
rechtsmacht in strafzaken. De rechtsmacht en werkwijze van het Hof worden
vastgelegd in de bepalingen van dit Statuut.
Artikel 2
Samenhang van het Hof met de Verenigde Naties
De samenhang van het Hof met de Verenigde Naties wordt geregeld door middel van
een overeenkomst die moet worden goedgekeurd door de Vergadering van de Staten
die Partij zijn bij dit Statuut en daarna door de voorzitter van het Hof in naam
van het Hof moet worden gesloten.
Artikel 3
Zetel van het Hof
1. De zetel van het Hof wordt gevestigd te Den Haag, Nederland (« de Gaststaat
»).
2. Het Hof sluit met de Gaststaat een zetelovereenkomst die moet worden
goedgekeurd door de Vergadering van de Staten die Partij zijn en daarna door de
voorzitter van het Hof in naam van het Hof moet worden gesloten.
3. Het Hof kan elders zitting houden wanneer het dit wenselijk acht,
overeenkomstig het bepaalde in dit Statuut.
Artikel 4
Wettelijke status en bevoegdheden van het Hof
1. Het Hof bezit internationale rechtspersoonlijkheid. Tevens bezit het de
handelingsbevoegdheid die nodig is voor de uitoefening van zijn functies en de
verwezenlijking van zijn doelstellingen.
2. Het Hof kan zijn functies en bevoegdheden uitoefenen op de wijze bepaald in
dit Statuut op het grondgebied van een Staat die Partij is, alsmede, krachtens
een bijzondere overeenkomst, op het grondgebied van een andere staat.
HOOFDSTUK II. - Rechtsmacht, ontvankelijkheid en toepasselijk recht
Artikel 5
Misdaden waarover het Hof rechtsmacht heeft
1. De rechtsmacht van het Hof is beperkt tot de ernstigste misdaden die de
internationale gemeenschap in haar geheel met zorg vervullen. Het Hof heeft
overeenkomstig het Statuut rechtsmacht ter zake van de volgende misdaden :
(a) de misdaad van genocide;
(b) misdaden tegen de mensheid;
(c) oorlogsmisdaden;
(d) de misdaad van agressie.
2. Het Hof oefent rechtsmacht uit ter zake van de misdaad van agressie zodra
overeenkomstig de artikelen 121 en 123 een bepaling is aanvaard waarin de
misdaad nader is omschreven en de voorwaarden zijn vastgelegd krachtens welke
het Hof rechtsmacht uitoefent ter zake van deze misdaad. Een dergelijke bepaling
moet verenigbaar zijn met de desbetreffende bepalingen van het Handvest van de
Verenigde Naties.
Artikel 6
Misdaad van genocide
Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder genocide : een van de
volgende handelingen gepleegd met de bedoeling geheel of gedeeltelijk een
nationale, etnische of godsdienstige groep, dan wel een groep behorend tot een
bepaald ras, als zodanig te vernietigen :
(a) het doden van leden van de groep;
(b) het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de
groep;
(c) het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn
op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging;
(d) het opleggen van maatregelen bedoeld om geboorten binnen de groep te
voorkomen;
(e) het gedwongen overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep.
Artikel 7
Misdaden tegen de mensheid
1. Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder misdaad tegen de
mensheid : een van de volgende handelingen, indien gepleegd als onderdeel van
een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met
kennis van de aanval :
(a) moord;
(b) uitroeiing;
(c) slavernij;
(d) deportatie of gedwongen overbrenging van bevolking;
(e) gevangenneming of elke andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid
in strijd met de fundamentele regels van internationaal recht;
(f) marteling;
(g) verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen
zwangerschap, gedwongen sterilisatie, of elke andere vorm van seksueel geweld
van vergelijkbare ernst;
(h) vervolging van een identificeerbare groep of collectiviteit op politieke,
raciale gronden of gronden betreffende nationaliteit, op etnische, culturele of
godsdienstige gronden of op grond van het geslacht, zoals nader omschreven is in
het derde punt, of op andere gronden die algemeen ontoelaatbaar worden geacht
krachtens het internationaal recht, in verband met in dit punt bedoelde
handelingen of een misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft;
(i) gedwongen verdwijningen;
(j) apartheid;
(k) andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk
ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of
lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt.
2. Voor de toepassing van het eerste punt wordt verstaan onder :
(a) aanval gericht tegen een burgerbevolking : een wijze van optreden die het
meermalen plegen van in het eerste punt bedoelde handelingen tegen een
burgerbevolking met zich brengt ter uitvoering of met de oog op de voortzetting
van het beleid van een Staat of ter organisatie tot het plegen van een
dergelijke aanval;
(b) uitroeiing : inzonderheid het opzettelijk opleggen van levensvoorwaarden,
onder andere de onthouding van toegang tot voedsel en geneesmiddelen, bedoeld om
de vernietiging van een deel van een bevolking te bewerkstelligen;
(c) slavernij : de uitoefening van een of alle bevoegdheden verbonden aan het
recht van eigendom over een persoon, met inbegrip van de uitoefening van deze
bevoegdheid bij mensenhandel, in het bijzonder handel in vrouwen en kinderen met
het oog op seksuele uitbuiting;
(d) deportatie of gedwongen overbrenging van bevolking : het verplaatsen van de
desbetreffende personen door verdrijving of andere dwangmaatregelen uit het
gebied waarin zij zich rechtmatig bevinden zonder dat daartoe krachtens het
internationaal recht gronden zijn;
(e) marteling : het opzettelijk toebrengen van ernstige pijn of veroorzaken van
ernstig lijden, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, aan of van een persoon
die zich in bewaring of in de macht bevindt van degene die beschuldigd wordt,
met dien verstande dat onder marteling niet tevens wordt verstaan pijn of lijden
dat louter het gevolg is van, inherent is aan of veroorzaakt is door rechtmatige
sancties;
(f) gedwongen zwangerschap : de onrechtmatige gevangenhouding van een vrouw die
gedwongen zwanger is gemaakt, met de opzet de etnische samenstelling van een
bevolking te beïnvloeden of andere ernstige schendingen van het internationaal
recht te plegen. Deze definitie mag in geen geval worden uitgelegd als een
aantasting van de nationale wetgeving met betrekking tot
zwangerschapsonderbreking;
(g) vervolging : het opzettelijk en in ernstige mate ontnemen van fundamentele
rechten in strijd met het internationaal recht op grond van de identiteit van de
groep of van de collectiviteit;
(h) apartheid : onmenselijke handelingen analoog aan de in het eerste punt
bedoelde handelingen en die worden bedreven in het kader van een geïnstitutionaliseerd
regime van systematische onderdrukking en overheersing door een groep van een
bepaald ras van een of meer andere groepen van een ander ras en worden gepleegd
met de opzet dat regime in stand te houden;
(i) gedwongen verdwijningen : het arresteren, gevangen houden of ontvoeren van
personen door of met de machtiging, ondersteuning of bewilliging van een Staat
of politieke organisatie, gevolgd door een weigering een dergelijke ontneming
van vrijheid te erkennen of informatie te verstrekken over het lot of de
verblijfplaats van die personen, met de opzet hen langdurig buiten de
bescherming van de wet te plaatsen.
3. Voor de toepassing van dit Statuut verwijst het begrip geslacht naar de beide
geslachten, zowel het mannelijk als het vrouwelijk geslacht, naargelang de
context van de maatschappij. Onder geslacht wordt niets anders verstaan dan
hetgeen hiervoor is bepaald.
Artikel 8
Oorlogsmisdaden
1. Het Hof heeft rechtsmacht ter zake van oorlogsmisdaden in het bijzonder
wanneer deze worden gepleegd ter uitvoering van een plan of beleid of als
onderdeel van het op grote schaal plegen van dergelijke misdaden.
2. Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder oorlogsmisdaden :
(a) ernstige inbreuken op de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, met
name een van de volgende handelingen tegen personen of eigendommen die zijn
beschermd krachtens de bepalingen van de Verdragen van Genève :
(i) het opzettelijk doden;
(ii) het martelen of onmenselijk behandelen, met inbegrip van biologische
experimenten;
(iii) het opzettelijk veroorzaken van ernstig lijden of zwaar lichamelijk letsel
of ernstige schade aan de gezondheid;
(iv) het op grote schaal vernietigen en zich toeëigenen van eigendommen dat
niet door militaire noodzaak wordt gerechtvaardigd en dat ongeoorloofd en
moedwillig plaatsvindt;
(v) het dwingen van een krijgsgevangene of een andere beschermde personen om
dienst te nemen bij de strijdkrachten van een vijandige mogendheid;
(vi) het opzettelijk onthouden aan een krijgsgevangene of aan een andere
beschermde personen van het recht op een eerlijke en onpartijdige berechting;
(vii) het onwettig deporteren of overbrengen of onrechtmatig opsluiten;
(viii) het nemen van gijzelaars.
(b) Andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die toepasselijk zijn
in een internationaal gewapend conflict in het gevestigde kader van het
internationale recht, met name een van de volgende handelingen :
(i) het opzettelijk richten van aanvallen op de burgerbevolking als zodanig of
op individuele burgers die niet rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden;
(ii) het opzettelijk richten van aanvallen op burgerdoelen, die geen militaire
doelwitten zijn;
(iii) het opzettelijk richten van aanvallen op personeel, installaties,
materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire hulpverlening of
vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, voorzover
deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of burgerdoelen wordt
verleend krachtens het internationale recht inzake gewapende conflicten;
(iv) het opzettelijk richten van een aanval in de wetenschap dat een dergelijke
aanval voor burgers incidentele verliezen aan levens of letsel zal veroorzaken
of schade aan burgerdoelen of grote, langdurige en ernstige schade aan natuur en
milieu zal aanrichten, die duidelijk buitensporig is in verhouding tot het te
verwachten concrete en directe militaire voordeel;
(v) het aanvallen of bombarderen met wat voor middelen ook van steden, dorpen,
woningen of gebouwen, die niet worden verdedigd en geen militaire doelwitten
zijn;
(vi) het doden of verwonden van een strijder die zich, na het neerleggen van
zijn wapens of wanneer hij zich niet meer kan verdedigen, onvoorwaardelijk heeft
overgegeven;
(vii) het op ongepaste wijze gebruik maken van een witte vlag, een vlag of de
militaire onderscheidingstekens en het uniform van de vijand of van de Verenigde
Naties, alsmede van de emblemen van de Verdragen van Genève, hetgeen de dood of
ernstig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
(viii) het rechtstreeks of niet rechtstreeks overbrengen door de bezettingsmacht
van delen van de eigen burgerbevolking naar het bezette grondgebied, of de
deportatie of het overbrengen van de gehele of delen van de bevolking van het
bezette grondgebied binnen of buiten dat grondgebied;
(ix) het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst,
onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, historische monumenten,
ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, voorzover
deze niet worden gebruikt voor militaire doeleinden;
(x) het onderwerpen van personen die zich in de macht van de tegenpartij
bevinden aan lichamelijke verminking of medische of wetenschappelijke
experimenten van welke aard ook, die niet door de geneeskundige behandeling
worden verantwoord noch in hun belang worden uitgevoerd, en die de dood ten
gevolge hebben of de gezondheid van die persoon of personen ernstig in gevaar
brengen;
(xi) het op verraderlijke wijze doden of verwonden van personen die behoren tot
de vijandige natie of het vijandige leger;
(xii) het verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;
(xiii) het vernietigen of in beslag nemen van eigendommen van de vijand tenzij
deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van dwingende
oorlogsomstandigheden;
(xiv) het gerechtelijk vervallen verklaren, schorsen of niet-ontvankelijk
verklaren van de rechten en handelingen van de onderdanen van de vijandige
partij;
(xv) het dwingen van de onderdanen van de vijandige partij om deel te nemen aan
oorlogshandelingen gericht tegen hun eigen land, ook als zij voor de aanvang van
de oorlog in dienst van de oorlogvoerende partij waren;
(xvi) het plunderen van een stad of plaats, ook wanneer deze bij een aanval
wordt ingenomen;
(xvii) het gebruiken van gif of giftige wapens;
(xviii) het gebruiken van verstikkende, giftige of andere gassen en overige
soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten;
(xix) het gebruiken van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in
omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met een harde mantel
die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of die is voorzien van inkepingen;
(xx) het gebruiken van wapens, projectielen, materieel en wijzen van
oorlogvoering die van aard zijn om overbodig letsel of nodeloos lijden te
veroorzaken of die zonder meer in strijd zijn met het internationaal recht
inzake gewapende conflicten, voorzover dergelijke wapens, projectielen,
materieel en wijzen van oorlogvoering vallen onder een algeheel verbod en zijn
opgenomen in een bijlage bij dit Statuut, krachtens een amendement
overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de artikelen 121 en 123;
(xxi) het schenden van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder
vernederende en onterende behandeling;
(xxii) het toepassen van verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen
prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie of andere vormen van
seksueel geweld, die een ernstige schending van de Verdragen van Genève
opleveren;
(xxiii) het gebruik maken van de aanwezigheid van een burger of een andere
beschermde persoon teneinde bepaalde punten, gebieden of strijdkrachten te
vrijwaren van militaire operaties;
(xxiv) het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen, materieel, medische
eenheden en transport, alsmede op personeel dat overeenkomstig het
internationaal recht gebruik maakt van de emblemen van de Verdragen van Genève;
(xxv) het opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van
oorlogvoering door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun
overleving, inzonderheid het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van
hulpgoederen waarin is voorzien in de Verdragen van Genève;
(xxvi) het onder de wapenen roepen of het in militaire dienst nemen van kinderen
beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de nationale strijdkrachten of hen
gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden.
(c) In geval van een gewapend conflict dat niet internationaal van aard is,
ernstige schendingen van artikel 3 van ieder van de vier Verdragen van Genève
van 12 augustus 1949, te weten een van de volgende handelingen begaan tegen
personen die niet rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden, waaronder
leden van strijdkrach
ten die hun wapens hebben neergelegd en degenen die buiten gevecht zijn gesteld
door ziekte, verwondingen, gevangenschap of andere oorzaken :
(i) geweldpleging gericht op het leven en de lichamelijk integriteit,
inzonderheid alle vormen van moord, verminking, wrede behandeling en marteling;
(ii) aantasting van de persoonlijke waardigheid, inzonderheid vernederende en
onterende behandeling;
(iii) het nemen van gijzelaars;
(iv) het uitspreken van vonnissen en tenuitvoerleggen van executies zonder
voorafgaand vonnis uitgesproken door een op regelmatige wijze samengesteld
gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt die algemeen als onmisbaar
worden erkend.
(d) Het tweede punt, c, is van toepassing op gewapende conflicten die niet
internationaal van aard zijn en geldt derhalve niet voor gevallen van interne
onlusten en spanningen, zoals oproer, geïsoleerde en sporadische
gewelddadigheden of andere soortgelijke handelingen.
(e) Andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die gelden in geval
van gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn, binnen het
gevestigde kader van het internationaal recht, te weten een van de volgende
handelingen :
(i) het opzettelijk richten van aanvallen op de burgerbevolking als zodanig of
op burgers die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen;
(ii) het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen, materieel, medische
eenheden en transport, en personeel dat gebruik maakt van de emblemen van de
Verdragen van Genève overeenkomstig het internationaal recht;
(iii) het opzettelijk richten van aanvallen op personeel, installaties,
materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire hulpverlening of
vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, voorzover
deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of burgerdoelen wordt
verleend krachtens het internationaal recht inzake gewapende conflicten;
(iv) het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst,
onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, historische monumenten,
ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, voorzover
deze niet worden gebruikt voor militaire doeleinden;
(v) het plunderen van een stad of plaats, ook wanneer deze bij een aanval wordt
ingenomen;
(vi) het toepassen van verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie,
gedwongen zwangerschap zoals gedefinieerd in artikel 7, tweede punt, f,
gedwongen sterilisatie en andere vormen van seksueel geweld die een ernstige
schending zijn van de Verdragen van Genève;
(vii) het onder de wapenen roepen of het in militaire dienst nemen van kinderen
beneden de leeftijd van vijftien jaar bij strijdkrachten of hen gebruiken voor
actieve deelname aan vijandelijkheden;
(viii) het bevel geven tot verplaatsing van de burgerbevolking om redenen die
verband houden met het conflict, tenzij de veiligheid van de betrokken burgers
of dwingende militaire redenen dit vereisen;
(ix) het op verraderlijke wijze doden of verwonden van een vijandelijke
strijder;
(x) het verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;
(xi) het onderwerpen van personen die zich in de macht van een andere partij bij
het conflict bevinden aan lichamelijke verminking of aan geneeskundige of
wetenschappelijke experimenten van welke aard ook, die niet door de
geneeskundige behandeling worden verantwoord, noch in hun belang worden
uitgevoerd, en die de dood ten gevolge hebben of de gezondheid van die persoon
of personen ernstig in gevaar brengen;
(xii) het vernietigen of in beslag nemen van eigendommen van een tegenstander
tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van de
dwingende omstandigheden van het conflict;
(f) Het tweede punt, e, is van toepassing op gewapende conflicten die niet
internationaal van aard zijn en geldt derhalve niet voor gevallen van interne
onlusten en spanningen zoals oproer, geïsoleerde en sporadische
gewelddadigheden of soortgelijke handelingen. Het geldt voor gewapende
conflicten die plaatsvinden op het grondgebied van een Staat in het geval van
een langdurig gewapend conflict tussen de officiële autoriteiten en
georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen onderling.
3. Het tweede punt, c en e, laat onverlet de verantwoordelijkheid van een
regering om de openbare orde in de Staat te handhaven of te herstellen of om de
eenheid en territoriale integriteit van de Staat met alle legitieme middelen te
verdedigen.
Artikel 9
Bestanddelen van misdaden
1. Bestanddelen van misdaden dienen het Hof als hulpmiddel bij de uitlegging en
de toepassing van de artikelen 6, 7 en 8 van het Statuut. Zij moeten worden
goedgekeurd met een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van de
Staten die Partij zijn.
2. Wijzigingen in de bestanddelen van misdaden kunnen worden voorgesteld door :
(a) een Staat die Partij is;
(b) de rechters die optreden bij absolute meerderheid;
(c) de aanklager.
Deze wijzigingen moeten worden goedgekeurd met een tweederde meerderheid van de
leden van de Vergadering van de Staten die Partij zijn.
3. De bestanddelen van misdaden en wijzigingen daarop moeten verenigbaar zijn
met dit Statuut.
Artikel 10
Het bepaalde in dit hoofdstuk wordt niet zodanig uitgelegd dat daarmee, op
ongeacht welke wijze, een beperking zou worden aangebracht in of inbreuk zou
worden gemaakt op bestaande of zich ontwikkelende regels van internationaal
recht, die andere doeleinden beogen dan dit Statuut.
Artikel 11
Rechtsmacht ratione temporis
1. Het Hof bezit alleen rechtsmacht met betrekking tot misdaden die zijn
gepleegd na de inwerkingtreding van dit Statuut.
2. Indien een Staat Partij wordt bij dit Statuut na de inwerkingtreding ervan,
kan het Hof zijn rechtsmacht enkel uitoefenen met betrekking tot misdaden die
zijn gepleegd na de inwerkingtreding van dit Statuut voor die Staat, tenzij die
Staat een verklaring krachtens artikel 12, derde punt, heeft afgelegd.
Artikel 12
1. Een Staat die Partij wordt bij dit Statuut aanvaardt daardoor de rechtsmacht
van het Hof met betrekking tot de misdaden bedoeld in artikel 5.
2. In de gevallen bedoeld in artikel 13, a of c, kan het Hof zijn rechtsmacht
uitoefenen indien een of meer van de volgende Staten Partij zijn bij dit Statuut
of de rechtsmacht van het Hof hebben aanvaard overeenkomstig het derde punt :
(a) de Staat op wiens grondgebied de desbetreffende gedragingen plaatsvonden of,
indien de misdaad werd gepleegd aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig, de
Staat van registratie van dat vaartuig of luchtvaartuig;
(b) de Staat waarvan de persoon die van de misdaad wordt beschuldigd onderdaan
is.
3. Indien de aanvaarding van de rechtsmacht van het Hof door een Staat die geen
Partij is bij dit Statuut vereist is krachtens het tweede punt, kan die Staat,
door middel van een verklaring die bij de griffier wordt neergelegd, de
uitoefening ervan door het Hof aanvaarden met betrekking tot de desbetreffe nde
misdaad. De Staat die de uitoefening van rechtsmacht aanvaardt werkt zonder
vertraging of uitzondering samen met het Hof overeenkomstig hoofdstuk 9.
Artikel 13
Uitoefening van rechtsmacht
Het Hof kan zijn rechtsmacht uitoefenen met betrekking tot de daden bedoeld in
artikel 5 overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut, indien :
(a) een situatie waarin een of meer van deze misdaden lijken te zijn gepleegd,
overeenkomstig artikel 14 naar de aanklager wordt verwezen door een Staat die
Partij is;
(b) een situatie waarin een of meer van deze misdaden lijken te zijn gepleegd,
naar de aanklager wordt verwezen door de Veiligheidsraad, handelend krachtens
hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties; of
(c) de aanklager een onderzoek heeft ingesteld met betrekking tot deze misdaad
overeenkomstig artikel 15.
Artikel 14
Verwijzing van een situatie door een Staat die Partij is
1. Een Staat die Partij is kan een situatie waarin een of meer misdaden waarover
het Hof rechtsmacht heeft lijken te zijn gepleegd naar de aanklager verwijzen,
waarbij de aanklager wordt verzocht de situatie te onderzoeken teneinde vast te
stellen of een of meer duidelijk omschreven personen in staat van beschuldiging
moeten worden gesteld wegens het plegen van deze misdaden.
2. Voorzover mogelijk worden bij de verwijzing de relevante omstandigheden
vermeld, vergezeld van alle bewijsstukken die ter beschikking staan van de Staat
die het geval verwijst.
Artikel 15
De aanklager
1. De aanklager kan op eigen initiatief een onderzoek instellen op grond van
informatie over misdaden waarover het Hof rechtsmacht heeft.
2. De aanklager onderzoekt de ernst van de ontvangen informatie. Daartoe kan hij
aanvullende informatie vragen aan Staten, organen van de Verenigde Naties,
intergouvernementele of niet-gouvernementele organisaties of andere betrouwbare
bronnen die hij daarvoor gepast acht en kan hij schriftelijke of mondelinge
getuigenverklaringen in ontvangst nemen op de zetel van het Hof.
3. Indien de aanklager concludeert dat een redelijke grond bestaat om een
onderzoek in te stellen, moet hij daartoe een verzoek indienen bij de Kamer van
vooronderzoek onder voorlegging van het verzamelde bewijsmateriaal. Slachtoffers
kunnen hun mening kenbaar maken bij de Kamer van vooronderzoek overeenkomstig
het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
4. Indien de Kamer van vooronderzoek, na kennisneming van het verzoek en van het
bewijsmateriaal, van mening is dat een redelijke grond bestaat om een onderzoek
in te stellen en dat de zaak naar het zich laat aanzien binnen de rechtsmacht
van het Hof valt, verleent de Kamer van vooronderzoek toestemming voor het
onderzoek, ongeacht latere beslissingen van het Hof met betrekking tot de
rechtsmacht en de ontvankelijkheid van een zaak.
5. De weigering van de Kamer van vooronderzoek om toestemming te verlenen voor
een onderzoek vormt geen beletsel voor de indiening door de aanklager van een
later verzoek dat op nieuwe feiten of bewijsmateriaal met betrekking tot
hetzelfde geval gegrond is.
6. Indien de aanklager na het vooronderzoek bedoeld in het eerste en tweede punt
concludeert dat de verstrekte informatie geen redelijke grond voor een onderzoek
oplevert, stelt hij degenen die de informatie hebben verstrekt daarvan in
kennis. Dit belet de aanklager niet nadere informatie die hem wordt overgelegd
met betrekking tot dezelfde situatie in het licht van nieuwe feiten of
bewijsmateriaal in overweging te nemen.
Artikel 16
Opschorting van onderzoek of vervolging
Geen onderzoek of vervolging kan worden ingesteld of voortgezet krachtens dit
Statuut gedurende een periode van 12 maanden nadat de Veiligheidsraad bij een
resolutie die krachtens hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties
is goedgekeurd, het verzoek daartoe tot het Hof heeft gericht; een hernieuwd
verzoek kan door de Raad worden ingediend onder dezelfde voorwaarden.
Artikel 17
Vragen met betrekking tot ontvankelijkheid
1. Gelet op het tiende punt van de Preambule en op artikel 1 van dit Statuut kan
het Hof een zaak niet-ontvankelijk verklaren indien :
(a) in de zaak onderzoek of vervolging plaatsvindt door een Staat die ter zake
rechtsmacht heeft, tenzij die Staat niet bereid of niet bij machte is om het
onderzoek of de vervolging tot een goed einde te brengen.
(b) in de zaak een onderzoek is ingesteld door een Staat die ter zake
rechtsmacht heeft en die Staat beslist heeft de betrokken persoon niet te
vervolgen, tenzij de beslissing het gevolg was van het niet bereid of niet bij
machte zijn van de Staat om de vervolging tot een goed einde te brengen;
(c) de betrokken persoon reeds heeft terechtgestaan voor gedragingen waarop de
klacht betrekking heeft, en niet door het Hof kan worden berecht krachtens
artikel 20, derde punt;
(d) de zaak niet voldoende ernstig is om verdere stappen van het Hof te
verantwoorden.
2. Bij de vaststelling of er sprake is van het ontbreken van bereidheid van een
Staat in een bepaalde zaak beoordeelt het Hof, met inachtneming van de in het
internationaal recht erkende beginselen van een behoorlijke rechtsgang, of een
of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen :
(a) de procedure werd of wordt ingesteld of de beslissing van de Staat werd
genomen teneinde de betrokken persoon te onttrekken aan zijn strafrechtelijke
aansprakelijkheid voor misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit als bedoeld
in artikel 5;
(b) er is sprake van onverantwoorde vertraging in de procedure die, onder de
omstandigheden, niet verenigbaar is met het voornemen de betrokken persoon te
doen terechtstaan;
(c) de procedure werd of wordt niet gevoerd op een onafhankelijke of
onpartijdige wijze, maar op een wijze die, onder de omstandigheden, niet
verenigbaar is met het voornemen om de betrokken persoon te doen terecht staan.
3. Bij de bepaling of er in een bijzondere zaak sprake is van onmacht van de
Staat, gaat het Hof na of de Staat vanwege een algehele of substantiële
ineenstorting of de niet-beschikbaarheid van zijn nationale rechterlijke
organisatie, niet bij machte is de verdachte in handen te krijgen of het
noodzakelijke bewijsmateriaal en de noodzakelijke getuigenverklaringen te
verzamelen of anderszins niet bij machte is tot het voeren van de procedure.
Artikel 18
Prejudiciële beslissingen betreffende de ontvankelijkheid
1. Wanneer een situatie naar het Hof is verwezen krachtens artikel 13, a, en de
aanklager heeft bepaald dat een redelijke grond bestaat om een onderzoek in te
stellen, of de aanklager opent een onderzoek krachtens artikel 13, c, en artikel
15, stelt de aanklager alle Staten die Partij zijn hiervan in kennis, alsmede
die Staten die, gelet op de beschikbare informatie normaliter rechtsmacht zouden
uitoefenen ter zake van de betrokken misdaden. De aanklager kan de kennisgeving
op vertrouwelijke grond aan deze Staten verstrekken en kan, als hij dit
noodzakelijk acht ter bescherming van personen, om de vernietiging van
bewijsmateriaal te voorkomen of personen het vluchten te beletten, de omvang van
de aan Staten te verstrekken informatie beperken.
2. Binnen een maand na ontvangst van die kennisgeving kan een Staat het Hof
meedelen dat hij een onderzoek instelt of heeft ingesteld met betrekking tot
zijn onderdanen of anderen waarover hij rechtsmacht bezit inzake strafbare
handelingen die misdaden kunnen opleveren als bedoeld in artikel 5 en verband
houden met de aan de Staten verstrekte informatie. Op verzoek van die Staat
treedt de aanklager terug ten behoeve van het onderzoek van de Staat naar die
personen, tenzij de Kamer van vooronderzoek, op verzoek van de aanklager,
beslist het onderzoek zelf te voeren.
3. Dit terugtreden van de aanklager ten behoeve van het onderzoek van een Staat
staat voor herziening open zes maanden na de datum van de terugtreding of
telkens wanneer het niet-bereid of niet bij machte zijn van de Staat om het
onderzoek tot een goed einde te leiden de omstandigheden aanzienlijk wijzigt.
4. De betrokken Staat of de aanklager kan tegen een beslissing van de Kamer van
vooronderzoek beroep instellen bij de Kamer van beroep overeenkomstig artikel
82, tweede punt. Het beroep kan volgens een versnelde procedure worden
behandeld.
5. Wanneer de aanklager is teruggetreden ten behoeve van een onderzoek
overeenkomstig het tweede punt, kan de aanklager de betrokken Staat vragen hem
op regelmatige tijdstippen te informeren over de vooruitgang van zijn
onderzoeken en in voorkomend geval van de daaropvolgende gerechtelijke
vervolgingen. Staten die Partij zijn moeten op deze vragen onverwijld
antwoorden.
6. In afwachting van een beslissing van de Kamer van vooronderzoek of telkens
wanneer de aanklager krachtens dit artikel is teruggetreden ten behoeve van een
onderzoek, kan de aanklager, bij wijze van uitzondering, de Kamer van
vooronderzoek toestemming vragen om de noodzakelijke onderzoekshandelingen te
verrichten teneinde bewijsmateriaal in stand te houden, wanneer zich een
eenmalige gelegenheid voordoet om belangrijk bewijsmateriaal te verkrijgen of
wanneer een aanzienlijk risico bestaat dat dergelijk bewijsmateriaal nadien niet
meer beschikbaar is.
7. Een Staat die een beslissing van de Kamer van vooronderzoek krachtens dit
artikel heeft aangevochten, kan de ontvankelijkheid van een zaak krachtens
artikel 19 betwisten op grond van belangrijke nieuwe feiten of een belangrijke
wijziging in de omstandigheden.
Artikel 19
Betwisting van de rechtsmacht van het Hof of van de ontvankelijkheid van een
zaak
1. Het Hof gaat na of het rechtsmacht bezit over zaken die bij het Hof zijn
aangebracht. Het Hof kan zich ambtshalve uitspreken over de ontvankelijkheid van
een zaak overeenkomstig artikel 17.
2. De ontvankelijkheid van een zaak op de gronden bedoeld in artikel 17 of de
rechtsmacht van het Hof kunnen worden betwist door :
(a) een beschuldigde of een persoon tegen wie een bevel tot aanhouding of een
dagvaarding om te verschijnen is uitgevaardigd krachtens artikel 58;
(b) een Staat die rechtsmacht bezit over een zaak omdat hij in de zaak een
onderzoek instelt of heeft ingesteld of gerechtelijke vervolging instelt of
heeft ingesteld; of
(c) een Staat die de rechtsmacht van het Hof heeft erkend krachtens artikel 12.
3. De aanklager kan het Hof vragen zich uit te spreken over een aangelegenheid
met betrekking tot rechtsmacht of ontvankelijkheid. In procedures die betrekking
hebben op rechtsmacht of ontvankelijkheid kunnen zowel zij die de situatie
hebben verwezen krachtens artikel 13 als slachtoffers hun opvattingen aan het
Hof kenbaar te maken.
4. De ontvankelijkheid van een zaak of de rechtsmacht van het Hof kan slechts
eenmaal worden betwist door een persoon of Staat bedoeld in het tweede punt. De
betwisting moet geschieden voor of bij de aanvang van de procedure. In
uitzonderlijke omstandigheden kan het Hof toestemming verlenen om de betwisting
meermaals naar voren te brengen dan wel toestaan op een later tijdstip dan bij
de aanvang van het proces. Betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak bij
de aanvang van een proces of op een later tijdstip met toestemming van het Hof
mag enkel worden gegrond op artikel 17, eerste punt, c.
5. De Staten bedoeld in het tweede punt, b en c, moeten een betwisting in een zo
vroeg mogelijk stadium opwerpen.
6. Voor de bevestiging van de tenlastelegging moet elke betwisting van de
ontvankelijkheid van een zaak of elke betwisting van de rechtsmacht van het Hof
worden verwezen naar de Kamer van vooronderzoek. Na bevestiging van de
tenlastelegging wordt de betwisting verwezen naar de Kamer van eerste aanleg.
Tegen beslissingen met betrekking tot rechtsmacht of ontvankelijkheid kan beroep
worden ingesteld bij de Kamer van beroep overeenkomstig artikel 82.
7. Indien de betwisting wordt opgeworpen door een Staat bedoeld in het tweede
punt, b of c, schorst de aanklager het onderzoek totdat het Hof een beslissing
neemt overeenkomstig artikel 17.
8. In afwachting van een beslissing van het Hof kan de aanklager het Hof
verzoeken hem toestemming te verlenen om :
(a) de onderzoekshandelingen te verrichten bedoeld in artikel 18, zesde punt;
(b) een verklaring of getuigenis van een getuige te verkrijgen of het verzamelen
en onderzoeken van bewijsmateriaal waarmee was aangevangen voordat een
betwisting plaatsvond te voltooien; en
(c) in samenwerking met de betrokken Staten het vluchten te beletten van
personen ten aanzien van wie de aanklager reeds een bevel tot aanhouding
krachtens artikel 58 heeft gevraagd.
9. De betwisting doet geen afbreuk aan de geldigheid van een handeling verricht
door de aanklager of aan een opdracht of bevel gegeven door het Hof voordat de
betwisting is opgeworpen.
10. Indien het Hof heeft beslist dat een zaak niet-ontvankelijk is krachtens
artikel 17, kan de aanklager het Hof vragen de beslissing te herzien wanneer hij
volledig ervan overtuigd is dat nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die de
grondslag ontkrachten waarop de zaak voordien niet-ontvankelijk was bevonden
krachtens artikel 17.
11. Indien de aanklager, gelet op het bepaalde in artikel 17, een onderzoek
uitstelt, kan hij de betrokken Staat vragen hem informatie over de procedure te
verschaffen. Die informatie wordt op verzoek van de betrokken Staat
vertrouwelijk behandeld. Indien de aanklager daarna beslist een onderzoek in te
stellen, stelt hij de Staat daarvan in kennis ten behoeve van wiens procedure
hij is teruggetreden.
Artikel 20
Non bis in idem
1. Behoudens anderszins bepaald in dit Statuut, staat niemand voor het Hof
terecht voor gedragingen die de grondslag vormden van misdaden waarvoor de
betrokkene reeds door het Hof is veroordeeld of vrijgesproken.
2. Niemand staat voor een andere rechtbank terecht voor een misdaad bedoeld in
artikel 5 waarvoor de betrokkene reeds door het Hof is veroordeeld of
vrijgesproken.
3. Niemand die voor een andere rechtbank heeft terechtgestaan voor gedragingen
die ook ressorteren onder de artikelen 6, 7 of 8, staat voor het Hof terecht
voor dezelfde gedragingen, tenzij de procedure voor de andere rechtbank :
(a) diende om de betrokkene te onttrekken aan de strafrechtelijke
aansprakelijkheid ter zake van misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit; of
(b) anderszins niet op onafhankelijke of onpartijdige wijze verliep
overeenkomstig de in het internationale recht erkende waarborgen en plaatsvond
op een wijze die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar was met het
voornemen om de betrokkene terecht te doen staan.
Artikel 21
Toepasselijk recht
1. Het Hof past toe :
(a) in de eerste plaats, dit Statuut en het Reglement voor de proces- en
bewijsvoering;
(b) in de tweede plaats, waar dit in aanmerking komt, toepasselijke verdragen en
de beginselen en regels van internationaal recht, waaronder de gevestigde
beginselen van het internationaal recht inzake gewapende conflicten;
(c) bij gebreke daarvan, de algemene rechtsbeginselen die door het Hof worden
ontleend aan de nationale wetten van de diverse rechtsstelsels in de wereld,
waaronder, indien van toepassing, de nationale wetten van Staten die normaliter
rechtsmacht zouden uitoefenen ter zake van de misdaad, ingeval die beginselen
niet onverenigbaar zijn met dit Statuut, het internationaal recht en
internationaal erkende normen en maatstaven.
2. Het Hof kan de beginselen en rechtsregels toepassen overeenkomstig de
uitlegging die het in zijn voorgaande beslissingen daaraan gaf.
3. De toepassing en de uitlegging van het recht krachtens dit artikel moeten
verenigbaar zijn met de internationaal erkende mensenrechten, waarbij geen
onderscheid, dat ten nadele strekt, mag worden gemaakt op grond van geslacht
zoals gedefinieerd in artikel 7, derde punt, leeftijd, ras, huidskleur, taal,
godsdienst of geloof, politieke of andere mening, nationale, etnische of
maatschappelijke oorsprong, vermogen, geboorte of een andere eigenschap.
HOOFDSTUK III. - Algemene beginselen van strafrecht
Artikel 22
Nullum crimen sine lege
1. Niemand is krachtens dit Statuut strafrechtelijk aansprakelijk tenzij de
desbetreffende gedragingen op het tijdstip waarop deze plaatsvinden een misdaad
opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit.
2. De definitie van een misdaad wordt strikt geïnterpreteerd en niet verruimd
naar analogie. In geval van dubbelzinnigheid wordt de definitie uitgelegd in het
voordeel van de persoon ten aanzien van wie een onderzoek plaatsvindt of die
vervolgd of veroordeeld wordt.
3. Dit artikel laat onverlet dat gedragingen als een misdaad worden gedefinieerd
naar internationaal recht, los van dit Statuut.
Artikel 23
Nulla poena sine lege
Een persoon die door het Hof is veroordeeld kan enkel worden gestraft
overeenkomstig het bepaalde in dit Statuut.
Artikel 24
Geen terugwerkende kracht ratione personae
1. Niemand is strafrechtelijk aansprakelijk krachtens dit Statuut ter zake van
gedragingen die plaatsvonden voor de inwerkingtreding van het Statuut.
2. Ingeval het recht dat op een bepaalde zaak van toepassing is wordt gewijzigd
voordat definitief vonnis wordt gewezen, is het recht toepasselijk dat het
gunstigst is voor degene ten aanzien van wie een onderzoek plaatsvindt of die
vervolgd of veroordeeld wordt.
Artikel 25
Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid
1. Het Hof bezit krachtens dit Statuut rechtsmacht over natuurlijke personen.
2. Een persoon die een misdaad pleegt waarover het Hof rechtsmacht bezit is
persoonlijk aansprakelijk en strafbaar overeenkomstig dit Statuut.
3. Overeenkomstig dit Statuut is een persoon strafrechtelijk aansprakelijk en
strafbaar voor een misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien die
persoon :
(a) een dergelijke misdaad pleegt hetzij als individu, hetzij gezamenlijk met of
door middel van een andere persoon, ongeacht of die andere persoon
strafrechtelijk aansprakelijk is;
(b) opdracht geeft tot, verzoekt om of beweegt tot het plegen van een dergelijke
misdaad die feitelijk plaatsvindt of waartoe een poging wordt gedaan;
(c) teneinde het plegen van een dergelijk misdaad te vergemakkelijken, hulp
biedt, medewerking verleent of anderszins bijstand biedt bij het plegen daarvan
of een poging tot het plegen, waaronder het verschaffen van de middelen tot het
plegen;
(d) op andere wijze meewerkt aan het plegen of een poging tot het plegen van een
dergelijke misdaad door een groep personen die handelt met een gemeenschappelijk
doel. Deze medewerking moet opzettelijk zijn en moet hetzij :
(i) worden verleend met het doel de criminele activiteit of het criminele doel
van de groep te vergemakkelijken, ingeval een dergelijke activiteit of doel een
misdaad oplevert waarover het Hof rechtsmacht bezit; hetzij
(ii) worden verleend met kennis van de bedoeling van de groep om de misdaad te
plegen;
(e) met betrekking tot de misdaad van genocide, rechtstreeks en openlijk anderen
ertoe aanzet om genocide te plegen;
(f) een poging doet om een dergelijke misdaad te plegen door stappen te nemen,
waardoor de uitvoering van de misdaad wezenlijk in gang wordt gezet, maar de
misdaad niet wordt voltrokken ten gevolge van omstandigheden die onafhankelijk
zijn van de wil van de persoon. Een persoon die de poging tot het plegen van de
misdaad evenwel staakt of anderszins de voltrekking van de misdaad verhindert,
is niet strafbaar krachtens dit Statuut voor de poging tot het plegen van de
misdaad, indien die persoon volledig en vrijwillig van het misdadig oogmerk
heeft afgezien.
4. Geen van de bepalingen van dit Statuut met betrekking tot individuele
strafrechtelijke aansprakelijkheid is van invloed op de aansprakelijkheid van
Staten krachtens het internationaal recht.
Artikel 26
Uitsluiting van rechtsmacht over personen
die de volle leeftijd van achttien jaar niet hebben bereikt
Het Hof bezit geen rechtsmacht over een persoon die op het tijdstip van het
vermeende plegen van de misdaad de volle leeftijd van achttien jaar niet had
bereikt.
Artikel 27
Irrelevantie van officiële hoedanigheid
1. Dit Statuut geldt gelijkelijk ten aanzien van een ieder zonder enig
onderscheid op grond van de officiële hoedanigheid. In het bijzonder ontheft de
officiële hoedanigheid als staatshoofd of regeringsleider, lid van een regering
of parlement, gekozen vertegenwoordiger of ambtenaar van een Staat een persoon
nooit van strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit Statuut en vormt dit
als dusdanige evenmin een grond voor strafvermindering.
2. Immuniteit of bijzondere procedurele regels die mogelijk verbonden zijn aan
de officiële hoedanigheid van een persoon krachtens het nationaal of het
internationaal recht, vormen voor het Hof geen beletsel voor het uitoefenen van
zijn rechtsmacht over deze persoon.
Artikel 28
Aansprakelijkheid van bevelhebbers
en andere hiërarchische meerderen
Naast andere gronden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit
Statuut voor misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit :
1. Is een militair bevelhebber of persoon die daadwerkelijk als militair
bevelhebber optreedt strafrechtelijk aansprakelijk voor de misdaden waarover het
Hof rechtsmacht bezit, wanneer die zijn gepleegd door strijdkrachten onder zijn
daadwerkelijk bevel en leiding of, naar gelang van het geval, onder zijn
daadwerkelijke gezag en leiding, als gevolg van zijn nalaten behoorlijk leiding
te geven aan die strijdkrachten, indien :
(a) hij hetzij kennis ervan had dat de strijdkrachten deze misdaden pleegden of
op het punt stonden deze te plegen, hetzij wegens de omstandigheden op dat
moment kennis daarvan had moeten hebben; en
(b) hij naliet alle noodzakelijke en redelijke maatregelen te treffen die binnen
zijn macht lagen om het plegen daarvan te voorkomen of te beteugelen of de zaak
voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten voor onderzoek en vervolging.
2. Is een meerdere inzake de andere dan onder (a) bedoelde verhouding tussen een
meerdere en ondergeschikten, strafrechtelijk aansprakelijk voor misdaden
waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien deze zijn gepleegd door
ondergeschikten die onder zijn daadwerkelijk gezag en leiding stonden, als
gevolg van zijn nalaten behoorlijk leiding te geven aan deze ondergeschikten,
indien :
(a) hij hetzij kennis had van, hetzij bewust geen acht geslagen heeft op
informatie die duidelijk aangaf dat de ondergeschikten deze misdaden pleegden of
op het punt stonden deze te plegen;
(b) de misdaden activiteiten betroffen die ressorteren onder de daadwerkelijke
aansprakelijkheid en leiding van de meerdere; en
(c) hij naliet alle noodzakelijke en redelijke maatregelen te treffen die binnen
zijn macht lagen om het plegen van de misdaden te voorkomen of te beteugelen of
de zaak voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten voor onderzoek en
vervolging.
Artikel 29
Niet-toepasselijkheid van verjaringswetten
Misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit verjaren niet.
Artikel 30
Psychologisch bestanddeel
1. Tenzij anders bepaald is een persoon enkel strafrechtelijk aansprakelijk en
strafbaar voor een misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien de materiële
bestanddelen vergezeld gaan van opzet en kennis.
2. Voor de toepassing van dit artikel handelt een persoon met opzet indien :
(a) die persoon met betrekking tot gedragingen, de bedoeling heeft tot de
gedragingen over te gaan;
(b) die persoon met betrekking tot een gevolg, de bedoeling heeft dat gevolg
teweeg te brengen of zich ervan bewust is dat het gevolg zich bij een normale
gang van zaken zal voordoen.
3. Voor de toepassing van dit artikel betekent « kennis » het zich ervan
bewust zijn dat een omstandigheid bestaat of dat een gevolg zich bij een normale
gang van zaken zal voordoen. « Kennis hebben » en « welbewust » worden
dienovereenkomstig uitgelegd.
Artikel 31
Gronden voor ontheffing van strafrechtelijke aansprakelijkheid
1. Naast de overige in dit Statuut bepaalde ontheffingsgronden voor
strafrechtelijke aansprakelijkheid is een persoon niet strafrechtelijk
aansprakelijk indien, op het tijdstip van de gedragingen van die persoon :
(a) de persoon lijdt aan een geestesziekte of een geestelijk gebrek dat zijn
vermogen om de wederrechtelijkheid of de aard van zijn gedragingen te beseffen
of het vermogen om zijn gedragingen te beheersen teneinde de wettelijke
vereisten na te leven, vernietigt;
(b) de persoon zich in een staat van intoxicatie bevindt die zijn vermogen om de
wederrechtelijkheid of de aard van zijn gedragingen te beseffen of het vermogen
zijn gedragingen te beheersen teneinde de wettelijke vereisten na te leven,
vernietigt, tenzij hij vrijwillig in een staat van intoxicatie is geraakt onder
zodanige omstandigheden dat de persoon kennis had van of geen acht sloeg op de
kans dat hij als gevolg van de intoxicatie, waarschijnlijk zou overgaan tot
gedragingen die een misdaad opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit;
(c) de persoon redelijk handelt ter verdediging van zichzelf of van een andere
persoon, of, bij oorlogsmisdaden, van goederen die onontbeerlijk zijn voor het
overleven van de persoon dan wel voor het volbrengen van een militaire missie,
tegen een naderend en onrechtmatig gebruik van geweld op een wijze die evenredig
is aan het gevaar voor de persoon, de andere persoon of de beschermde goederen.
Het feit dat de persoon betrokken was bij een door strijdkrachten uitgevoerde
defensieve operatie vormt op zichzelf geen grond voor ontheffing van de
strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens deze paragraaf;
(d) de gedragingen waarvan wordt gesteld dat zij een misdaad opleveren waarover
het Hof rechtsmacht bezit, voortgevloeid zijn uit dwang als gevolg van een
onmiddellijke doodsdreiging of een dreiging van voortdurend of op handen zijnd
ernstig lichamelijk letsel, en de persoon noodzakelijkerwijs en redelijk handelt
teneinde deze dreiging af te wenden, op voorwaarde dat de persoon niet de
bedoeling heeft groter letsel toe te brengen dan het letsel dat hij tracht te
voorkomen. Een dergelijke dreiging kan :
i) worden veroorzaakt door andere personen; of
ii) worden gevormd door andere omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.
2. Het Hof stelt vast of de in dit Statuut bepaalde gronden voor
strafrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn op de voorliggende zaak.
3. Tijdens het proces kan het Hof een andere ontheffingsgrond voor
strafrechtelijke aansprakelijkheid overwegen dan de in het eerste punt vermelde
gronden, wanneer deze grond is ontleend aan het in artikel 21 beschreven
toepasselijk recht. De procedure houdende onderzoek van een dergelijke grond
wordt geregeld in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
Artikel 32
Dwaling omtrent de feiten of dwaling omtrent het recht
1. Een dwaling omtrent de feiten is slechts een uitsluitinggrond voor
strafrechtelijke aansprakelijkheid indien het bestanddeel van de
geestesgesteldheid dat voor de misdaad is vereist daardoor verdwijnt.
2. Een dwaling omtrent het recht bij de vraag of gedragingen een misdaad
opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit, is geen ontheffingsgrond voor
strafrechtelijke aansprakelijkheid. Een dwaling omtrent het recht kan echter een
ontheffingsgrond voor strafrechtelijke aansprakelijkheid zijn indien het
bestanddeel van de geestesgesteldheid dat voor die misdaad is vereist, of als
bepaald in artikel 33, daardoor verdwijnt.
Artikel 33
Bevelen van meerderen en wettelijk voorschrift
1. Het feit dat een misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft door een persoon
is gepleegd krachtens een bevel van een regering of van een meerdere, hetzij een
militair hetzij een burger, ontheft die persoon niet van strafrechtelijke
aansprakelijkheid, tenzij :
(a) de persoon wettelijk verplicht was bevelen van de desbetreffende regering of
meerdere te volgen;
(b) de persoon geen kennis had van het feit dat het bevel onwettig was; en
(c) het bevel niet onmiskenbaar onwettig was.
2. Voor de toepassing van dit artikel zijn bevelen om genocide te plegen of
misdaden tegen de mensheid onmiskenbaar onwettig.
HOOFDSTUK IV. - Samenstelling en dagelijks bestuur van het Hof
Artikel 34
Organen van het Hof
Het Hof bestaat uit de volgende organen :
(a) Het voorzitterschap
(b) een Afdeling beroep, een Afdeling berechting en een Afdeling vooronderzoek;
(c) de diensten van de aanklager;
(d) de griffie.
Artikel 35
Uitoefening van de functie van rechter
1. Alle rechters worden gekozen als voltijdse leden van het Hof en zijn
beschikbaar om hun functies voltijds uit te oefenen vanaf de aanvang van hun
ambtstermijn.
2. De rechters die deel uitmaken van het voorzitterschap oefenen hun functies
voltijds uit zodra zij zijn gekozen.
3. Het voorzitterschap kan, afhankelijk van de werklast van het Hof en in
overleg met de andere rechters, op geregelde tijdstippen, beslissen in hoeverre
het vereist is dat de overige rechters op voltijdbasis werkzaam zijn. Een
dergelijke regeling doet geen afbreuk aan het bepaalde in artikel 40.
4. De financiële regelingen voor niet op voltijdbasis werkzame rechters worden
getroffen overeenkomstig artikel 49.
Artikel 36
Kwalificaties, voordracht en verkiezing van rechters
1. Onverminderd het bepaalde in het tweede punt bestaat het Hof uit 18 rechters.
2. (a) Het voorzitterschap kan namens het Hof voorstellen het in het eerste punt
vermelde aantal rechters te verhogen en zijn voorstel met redenen omkleden. De
griffier doet dit voorstel onverwijld toekomen aan alle Staten die Partij zijn.
(b) Het voorstel wordt daarna onderzocht in een overeenkomstig artikel 112
bijeen te roepen bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn. Het
voorstel wordt geacht te zijn aanvaard indien het in de vergadering wordt
goedgekeurd bij een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van
Staten die Partij zijn. Het wordt van kracht op de door de Vergadering van
Staten die Partij zijn vastgestelde datum.
(c) (i) Wanneer een voorstel tot verhoging van het aantal rechters is aanvaard
krachtens het bepaalde onder b, vindt de verkiezing van de bijkomende rechters
plaats in de eerstvolgende bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij
zijn, overeenkomstig het derde tot en met het achtste punt, en artikel 37,
tweede punt;
(ii) Wanneer een voorstel tot verhoging van het aantal rechters is aanvaard en
wordt uitgevoerd krachtens het bepaalde onder b en c, onderdeel i, staat het het
voorzitterschap daarna te allen tijde vrij, indien de werklast van het Hof dit
verantwoordt, een vermindering van het aantal rechters voor te stellen, op
voorwaarde dat het aantal rechters niet minder wordt dan het in het eerste punt
vermelde aantal. Het voorstel wordt behandeld overeenkomstig de procedure
vermeld onder a en b. Indien het voorstel wordt aanvaard, wordt het aantal
rechters geleidelijk verminderd naargelang de ambtstermijn van de zittende
rechters afloopt, totdat het vereiste aantal is bereikt.
3. (a) De rechters worden gekozen uit personen met een zeer hoog zedelijk
aanzien, die gekend zijn voor hun onpartijdig en integriteit en de in hun
respectieve Staten vereiste kwalificaties hebben voor benoeming tot de hoogst
mogelijke functies bij de rechterlijke organisatie.
(b) Elke kandidaat voor verkiezing voor het Hof :
(i) heeft bewezen bekwaamheid op het gebied van het strafrecht en
strafprocesrecht en de noodzakelijke relevante ervaring als rechter, aanklager,
advocaat, of in een andere vergelijkbare hoedanigheid op het gebied van
strafzaken; of
(ii) heeft bewezen bekwaamheid op relevante gebieden van het internationaal
recht zoals het internationaal humanitair recht en de mensenrechten, en een
ruime beroepsmatige ervaring op juridisch gebied, die relevant is voor het werk
van de rechters van het Hof;
(c) Elke kandidaat voor verkiezing voor het Hof heeft een uitstekende kennis van
ten minste een van de werktalen van het Hof en spreekt deze taal vloeiend.
4. (a) Alle Staten die Partij zijn bij dit Statuut kunnen kandidaten voordragen
voor het Hof, hetzij :
(i) door middel van de procedure voor de voordracht van kandidaten voor
benoeming tot de hoogst mogelijke functies bij de rechterlijke organisatie in de
betrokken Staat; hetzij
(ii) door middel van de procedure waarin in het Statuut van het Internationaal
Hof van Justitie is voorzien voor de voordracht van kandidaten voor dat Hof.
De voordrachten gaan vergezeld van een gedetailleerd document waaruit blijkt dat
de kandidaat voldoet aan de vereisten van het derde punt.
(b) Elke Staat die Partij is kan voor elke verkiezing een kandidaat voordragen
die niet noodzakelijkerwijs onderdaan moet zijn van die Staat die Partij is,
maar in ieder geval onderdaan van een Staat die Partij is.
(c) De Vergadering van Staten die Partij zijn kan besluiten tot instelling,
indien van toepassing, van een adviescommissie voor onderzoek van de
kandidaturen. In dat geval worden de samenstelling en het mandaat van de
commissie bepaald door de Vergadering van Staten die Partij zijn.
5. Voor de verkiezing worden twee lijsten met kandidaten opgesteld :
Lijst A, die de namen vermeldt van de kandidaten met de kwalificaties bedoeld in
het derde punt, b, i; en
Lijst B, die de namen vermeldt van kandidaten met de kwalificaties bedoeld in
het derde punt, b, ii.
Een kandidaat die beschikt over de vereiste kwalificaties voor beide lijsten kan
kiezen op welke lijst hij wenst te worden voorgedragen. Bij de eerste verkiezing
voor het Hof worden ten minste negen rechters gekozen uit lijst A en ten minste
vijf rechters uit lijst B. De volgende verkiezingen worden op zodanige wijze
georganiseerd dat bij het Hof dezelfde verhouding wordt gehandhaafd tussen de
rechters verkozen uit de ene en uit de andere lijst.
6. (a) De rechters worden gekozen door middel van een geheime stemming tijdens
een bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn die voor dat doel
krachtens artikel 112 wordt bijeengeroepen. Onverminderd het zevende punt zijn
de personen die voor het Hof worden gekozen de 18 kandidaten die het grootste
aantal stemmen en een tweederde meerderheid krijgen van de aanwezige Staten die
Partij zijn en hun stem uitbrengen.
(b) Indien na de eerste stemronde geen voldoende aantal rechters is gekozen,
vinden opeenvolgende stemmingen plaats overeenkomstig de procedure bedoeld onder
a totdat de openstaande plaatsen zijn begeven.
7. Geen twee rechters mogen onderdaan zijn van dezelfde Staat. Een persoon die
ter zake als onderdaan van meer dan een Staat kan worden beschouwd, wordt geacht
onderdaan te zijn van de Staat waarin hij gewoonlijk zijn burgerrechtelijke en
politieke rechten uitoefent.
8. (a) De Staten die Partij zijn houden bij de keuze van de rechters in he kader
van de samenstelling van het Hof te voorzien in :
(i) een vertegenwoordiging van de voornaamste rechtsstelsels van de wereld;
(ii) een billijke geografische vertegenwoordiging; en
(iii) een billijke vertegenwoordiging van vrouwen en mannen.
(b) De Staten die Partij zijn houden ook rekening met de noodzaak rechters op te
nemen, die juridisch deskundig zijn ten aanzien van bepaalde aangelegenheden,
met inbegrip van materies inzake geweld tegen vrouwen of kinderen.
9. (a) Onverminderd het bepaalde onder b is de ambtstermijn van rechters negen
jaar, en onverminderd het bepaalde onder c en in artikel 37, tweede punt, zijn
zij niet herkiesbaar.
(b) Bij de eerste verkiezing wordt een derde van de gekozen rechters door loting
aangewezen voor een ambtstermijn van drie jaar; een derde van de gekozen
rechters wordt door loting aangewezen voor een ambtstermijn van zes jaar,
terwijl de ambtstermijn van de overige rechters negen jaar zal zijn.
(c) Een rechter die krachtens het bepaalde onder b is aangewezen voor een
ambtstermijn van drie jaar komt in aanmerking voor herverkiezing voor een
volledige ambtstermijn.
10. Ongeacht het bepaalde in het negende punt blijft een rechter die
overeenkomstig artikel 39 is aangewezen om zitting te hebben in een Kamer van
eerste aanleg of Kamer van beroep, in functie om een proces of een beroep af te
handelen waarvan de behandeling bij die Kamer reeds is aangevangen.
Artikel 37
Openstaande betrekkingen
1. Openstaande plaatsten worden begeven door middel van verkiezing
overeenkomstig artikel 36.
2. Een rechter die in een openstaande plaats is verkozen, blijft in functie voor
het resterende deel van de ambtstermijn van zijn voorganger en komt, indien die
periode drie jaar of minder bedraagt, in aanmerking voor herverkiezing voor een
volledige ambtstermijn krachtens artikel 36.
Artikel 38
Het voorzitterschap
1. De voorzitter en de eerste en tweede ondervoorzitter worden door de rechters
verkozen bij absolute meerderheid. Zij bekleden hun ambt gedurende een
ambtstermijn van drie jaar of tot het einde van hun respectieve ambtstermijnen
als rechter indien deze eerder eindigen. Zij zijn eenmaal herkiesbaar.
2. De eerste ondervoorzitter vervangt de voorzitter ingeval de voorzitter niet
beschikbaar of onbevoegd is. De tweede ondervoorzitter vervangt de voorzitter
wanneer deze en de eerste ondervoorzitter niet beschikbaar of onbevoegd zijn.
3. De voorzitter vormt samen met de eerste en tweede ondervoorzitter het
voorzitterschap dat belast is met :
(a) het adequate dagelijks bestuur van het Hof, met uitzondering van de diensten
van de aanklager; en
(b) de overige taken die aan het Hof zijn opgedragen overeenkomstig dit Statuut.
4. Voor de uitoefening van de taken bedoeld in het derde punt, a, handelt het
voorzitterschap in overleg met de aanklager en streeft het naar eensgezindheid
met hem over alle zaken die van gemeenschappelijk belang zijn.
Artikel 39
De Kamers
1. Zo spoedig mogelijk na de verkiezing van de rechters vormt het Hof de
afdelingen vermeld in artikel 34, b. De afdeling beroep bestaat uit de
voorzitter en vier andere rechters, de afdeling berechting en de afdeling
vooronderzoek bestaan elk uit ten minste zes rechters. De toevoeging van de
rechters aan de afdelingen vindt plaats op grond van de aard van de taken die
door elke afdeling moeten worden vervuld en de kwalificaties en ervaring van de
voor het Hof verkozen rechters, nadat elke afdeling beschikt over de geschikte
combinatie van deskundigheid op het gebied van het straf- en het
strafprocesrecht en van het internationaal recht. De afdelingen berechting en
vooronderzoek worden voornamelijk gevormd door rechters met ervaring inzake
strafprocessen.
2. (a) De rechterlijke taken van het Hof worden in elke afdeling verricht door
Kamers.
(b) (i) De Kamer van beroep wordt gevormd door alle rechters van de afdeling
beroep;
(ii) De taken van de Kamer van eerste aanleg worden uitgevoerd door drie
rechters van de afdeling berechting;
(iii) De taken van de Kamer van vooronderzoek worden uitgevoerd hetzij door drie
rechters van de Afdeling vooronderzoek of door een enkele rechter van die
afdeling overeenkomstig dit Statuut en het Reglement voor de proces- en
bewijsvoering;
(c) Niets in dit punt belet de gelijktijdige samenstelling van meer dan een
Kamer van eerste aanleg of meer dan een Kamer van vooronderzoek indien de
werklast van het Hof dit vereist.
3. (a) Rechters ingedeeld bij de Afdelingen berechting en vooronderzoek hebben
in die afdelingen zitting voor de duur van drie jaar en na afloop van die
termijn tot na de voltooiing van de zaak waarvan de behandeling reeds door de
betrokken afdeling is aangevangen.
(b) Rechters toegevoegd aan de Afdeling beroep hebben in die afdeling zitting
tijdens hun volledige ambtstermijn.
4. Rechters toegevoegd aan de Afdeling beroep hebben enkel zitting in die
afdeling. Niets in dit artikel belet echter de tijdelijke toevoeging van
rechters van de Afdeling berechting aan de afdeling vooronderzoek of omgekeerd,
indien het voorzitterschap van oordeel is dat werklast van het Hof dit vereist,
op voorwaarde evenwel dat een rechter die heeft deelgenomen aan het
vooronderzoek naar een zaak in geen geval in aanmerking komt voor zitting in de
Kamer van eerste aanleg die die zaak behandelt.
Artikel 40
Onafhankelijkheid van de rechters
1. De rechters zijn onafhankelijk in de uitvoering van hun taken.
2. Rechters onthouden zich van alle activiteiten die onverenigbaar zouden kunnen
zijn met hun rechterlijke taken of het vertrouwen in hun onafhankelijkheid
zouden kunnen aantasten.
3. Rechters die op voltijdbasis werkzaam moeten zijn op de zetel van het Hof
onthouden zich van alle andere beroepsmatige bezigheden.
4. Over vragen met betrekking tot de toepassing van het tweede en derde punt
wordt door de rechters beslist bij absolute meerderheid. Wanneer een dergelijke
vraag een bepaalde rechter betreft, neemt die rechter geen deel aan de
beslissing.
Artikel 41
Decharge en wraking van rechters
1. Het voorzitterschap kan een rechter op zijn verzoek ontlasten van de functies
die hem zijn toegekend krachtens dit Statuut, overeenkomstig het Reglement voor
de proces- en bewijsvoering.
2. (a) Een rechter mag niet deelnemen aan een zaak waarin redelijkerwijs twijfel
kan rijzen over zijn onpartijdigheid op welke grond dan ook. Een rechter wordt
overeenkomstig dit punt in een zaak gewraakt indien hij voordien in enigerlei
hoedanigheid bij die zaak voor het Hof betrokken was of bij een samenhangende
strafzaak op nationaal niveau waarbij de persoon tegen wie een onderzoek loopt
of die vervolgd wordt, betrokken is. Een rechter kan tevens worden gewraakt in
het geval van de andere gronden bepaald in het Reglement voor de proces- of
bewijsvoering.
(b) De aanklager of de persoon tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd
wordt kan krachtens dit punt de wraking van een rechter vragen.
(c) Over aangelegenheden met betrekking tot de wraking van een rechter wordt
door de rechters beslist bij absolute meerderheid. De rechter wiens wraking
wordt gevraagd heeft het recht terzake toelichting te verstrekken, maar neemt
geen deel aan de beslissing.
Artikel 42
Diensten van de aanklager
1. De diensten van de aanklager treden op als een onafhankelijk afzonderlijk
orgaan van het Hof. Zij zijn belast met de ontvangst van verwijzingen en van
alle behoorlijk onderbouwde informatie over misdaden binnen de rechtsmacht van
het Hof, met de bestudering ervan en onderzoek terzake en de vervolging ervan
voor het Hof. Een lid van het voornoemde diensten vraagt noch handelt volgens
aanwijzingen van een externe bron.
2. De aanklager is hoofd van voornoemde diensten. De aanklager heeft het
volledige gezag over de leiding en het dagelijks bestuur van de diensten, met
inbegrip van het personeel, de faciliteiten en de andere middelen. De aanklager
wordt bijgestaan door een of meer substituut-aanklagers, die gemachtigd zijn tot
het uitvoeren van alle handelingen die krachtens dit Statuut van de aanklager
worden vereist. De aanklager en substituut-aanklagers moeten van verschillende
nationaliteiten zijn. Zij vervullen hun taak op voltijdbasis.
3. De aanklager en substituut-aanklagers moeten personen met een zeer hoog
zedelijk aanzien zijn, in hoge mate bekwaam op het gebied van en met grote
praktische ervaring in de vervolging of de berechting in strafzaken. Zij moeten
beschikken over een uitstekende kennis van ten minste een van de werktalen van
het Hof en deze taal vloeiend spreken.
4. De aanklager wordt verkozen bij geheime stemming bij absolute meerderheid van
de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn. De substituut-aanklagers
worden op dezelfde wijze verkozen uit een door de aanklager verstrekte lijst van
kandidaten. Voor elke functie van substituut-aanklager draagt de aanklager drie
kandidaten voor. Tenzij bij hun verkiezing wordt besloten tot een kortere
termijn, bedraagt de ambtstermijn van de aanklager en van de
substituut-aanklagers negen jaar en zijn zij niet herkiesbaar.
5. De aanklager en de substituut-aanklagers onthouden zich van alle activiteiten
die onverenigbaar zouden kunnen zijn met hun taken als aanklager of hun
onafhankelijkheid zouden kunnen aantasten. Zij onthouden zich van alle andere
beroepsmatige bezigheden.
6. Het voorzitterschap kan de aanklager of een substituut-aanklager op zijn
verzoek ontlasten van zijn functies in een bepaalde zaak.
7. De aanklager noch een substituut-aanklager mag deelnemen aan de behandeling
van een zaak waarin redelijkerwijs twijfel kan rijzen over onpartijdigheid op
welke grond dan ook. Zij worden overeenkomstig dit punt gewraakt in een zaak
indien zij voordien in enigerlei hoedanigheid bij die zaak voor het Hof waren
betrokken of bij een strafzaak op nationaal niveau waarbij de persoon tegen wie
een onderzoek loopt of die vervolgd wordt, betrokken is.
8. Over aangelegenheden met betrekking tot de wraking van de aanklager of een
substituut-aanklager wordt beslist door de Kamer van beroep.
(a) De persoon tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt kan te allen
tijde vragen om de aanklager of een substituut-aanklager te wraken op de gronden
bedoeld in dit artikel;
(b) De aanklager of de substituut-aanklager heeft het recht terzake toelichting
te geven.
9. De aanklager benoemt adviseurs met juridische ervaring over bepaalde
onderwerpen, inzonderheid ter zake van seksueel geweld, seksistisch geweld en
geweld tegen kinderen.
Artikel 43
De griffie
1. De griffie is belast met de niet-rechterlijke aspecten van het dagelijks
bestuur en de dienstverlening van het Hof, onverminderd de taken en bevoegdheden
van de aanklager overeenkomstig artikel 42.
2. De griffie wordt geleid door de griffier, de hoogste administratieve
ambtenaar van het Hof. De griffier oefent zijn taken uit onder gezag van de
voorzitter van het Hof.
3. De griffier en de substituut-griffier moeten personen met een hoog zedelijk
aanzien zijn, in hoge mate bekwaam en met een uitstekende kennis van ten minste
een van de werktalen van het Hof en die taal vloeiend spreken.
4. De rechters kiezen de griffier bij absolute meerderheid bij geheime stemming,
daarbij rekening houdend met de eventuele aanbevelingen van de Vergadering van
Staten die Partij zijn. Indien de noodzaak daartoe bestaat en op aanbeveling van
de griffier kiezen de rechters op dezelfde wijze een substituut-griffier.
5. De griffier wordt verkozen voor vijf jaar, hij is eenmaal herkiesbaar en
werkt op voltijdbasis. De substituut-griffier wordt verkozen voor vijf jaar of
voor een kortere ambtstermijn als de rechters bij absolute meerderheid daartoe
besluiten; de substituut-griffier kan worden opgeroepen zijn taak uit te oefenen
wanneer dat nodig is.
6. De griffier roept binnen de griffie een Afdeling voor Slachtoffers en
Getuigen in het leven. Deze Eenheid is in overleg met de diensten van de
aanklager belast met advies en andere passende bijstand aan getuigen,
slachtoffers die voor het Hof verschijnen en anderen die in gevaar zijn vanwege
door dergelijke getuigen afgelegde getuigenverklaringen, en moet maatregelen of
regelingen treffen om in hun bescherming en veiligheid te voorzien. De Afdeling
beschikt over personeel met deskundigheid op het gebied van trauma's,
inzonderheid trauma's ten gevolge van seksueel geweld.
Artikel 44
Personeel
1. De aanklager en de griffier benoemen het gekwalificeerd personeel vereist
voor hun respectieve afdelingen. In het geval van de aanklager omvat zulks mede
de benoeming van enquêteurs.
2. Bij de aanstelling van personeel waarborgen de aanklager en de griffier de
hoogste normen van doelmatigheid, bekwaamheid en integriteit, en houden daarbij
mutatis mutandis rekening met de criteria vermeld in artikel 36, achtste punt.
3. De griffier stelt met instemming van het voorzitterschap en de aanklager een
Statuut voor het personeel voor, waarin de voorwaarden zijn vervat voor
benoeming, bezoldiging en ontslag van het personeel van het Hof. Het Statuut
voor het personeel worden goedgekeurd door de Vergadering van Staten die Partij
zijn.
4. Het Hof kan in uitzonderlijke omstandigheden gebruik maken van de
deskundigheid van medewerkers die om niet ter beschikking worden gesteld door
Staten die Partij zijn, intergouvernementele organisaties of
niet-gouvernementele organisaties, teneinde de organen van het Hof bij te staan
bij hun werkzaamheden. De aanklager kan dergelijk personeel aanvaarden voor de
diensten van de aanklager. Deze om niet ter beschikking gestelde medewerkers
worden tewerkgesteld overeenkomstig de richtlijnen die door de Vergadering van
Staten die Partij zijn vastgesteld.
Artikel 45
Plechtige gelofte
Voordat zij hun respectieve taken krachtens dit Statuut aanvaarden, verklaren de
rechters, de aanklager, de substituut-aanklagers, de griffier en de
substituut-griffier ieder plechtig in openbare zitting dat zij hun respectieve
functies onpartijdig en gewetensvol zullen uitoefenen.
Artikel 46
Ontzetting uit het ambt
1. Een rechter, de aanklager, een substituut-aanklager, de griffier of de
substituut-griffier worden uit hun ambt ontzet bij beslissing overeenkomstig het
tweede punt in gevallen waarin :
(a) die persoon blijkbaar een ernstige fout heeft gemaakt of schuldig is aan
ernstig plichtsverzuim krachtens dit Statuut, zoals bepaald in het Reglement
voor de proces- en bewijsvoering; of
(b) niet in staat is de krachtens dit Statuut vereiste functies uit te oefenen.
2. Een beslissing tot ontzetting uit het ambt van rechter, aanklager of
substituut-aanklager krachtens het eerste punt wordt genomen door de Vergadering
van Staten die Partij zijn, bij geheime stemming :
(a) in het geval van een rechter, bij een tweederde meerderheid van de Staten
die Partij zijn, overeenkomstig een aanbeveling die door de overige rechters is
aanvaard bij een tweederde meerderheid;
(b) in het geval van de aanklager, bij absolute meerderheid van de Staten die
Partij zijn;
(c) in het geval van een substituut-aanklager, bij absolute meerderheid van de
Staten die Partij zijn, op aanbeveling van de aanklager.
3. Een beslissing over de ontzetting uit het ambt van griffier of
substituut-griffier wordt genomen bij absolute meerderheid van de rechters.
4. Een rechter, aanklager, substituut-aanklager, griffier of substituut-griffier
die op grond van diens gedrag of bekwaamheid om de krachtens dit Statuut
vereiste functies uit te oefenen wordt betwist krachtens dit artikel, krijgt
volledig de gelegenheid bewijs aan te voeren en in ontvangst te nemen en zijn
standpunt kenbaar te maken overeenkomstig het Reglement voor de proces- en
bewijsvoering. Betrokkene neemt niet anderszins deel aan het onderzoek naar de
zaak.
Artikel 47
Tuchtmaatregelen
Een rechter, aanklager, substituut-aanklager, griffier of substituut-griffier
die een fout heeft gemaakt van minder ernstige aard dan die vermeld in artikel
46, eerste punt, wordt onderworpen aan de tuchtmaatregelen overeenkomstig het
Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
Artikel 48
Voorrechten en immuniteiten
1. Het Hof geniet op het grondgebied van elke Staat die Partij is de voorrechten
en immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van zijn opdracht.
2. De rechters, de aanklager, de substituut-aanklagers en de griffier genieten
bij de uitoefening van of met betrekking tot hun taak dezelfde voorrechten en
immuniteiten als verleend aan de hoofden van diplomatieke missies. Na afloop van
hun ambtstermijn blijven zij ten aanzien van elk soort van gerechtelijk optreden
immuniteit genieten met betrekking tot door hen gesproken of geschreven woorden
en de door hen in hun officiële hoedanigheid verrichte handelingen.
3. De substituut-griffier, het personeel van de diensten van de aanklager en het
personeel van de griffie genieten de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten
vereist voor de uitoefening van hun taak conform de overeenkomst inzake de
voorrechten en immuniteiten van het Hof.
4. De advocaten, deskundigen, getuigen en alle andere personen die aanwezig
moeten zijn op de zetel van het Hof worden behandeld op de wijze die
noodzakelijk is voor de goede werking van het Hof conform de overeenkomst inzake
de voorrechten en immuniteiten van het Hof.
5. De voorrechten en immuniteiten van :
(a) een rechter of de aanklager kunnen worden opgeheven bij absolute meerderheid
van de rechters;
(b) de griffier kunnen worden opgeheven door het voorzitterschap;
(c) de substituut-aanklagers en het personeel van de diensten van de aanklager
kunnen worden opgeheven door de aanklager;
(d) de substituut-griffier en het personeel van de griffie kunnen worden
opgeheven door de griffier.
Artikel 49
Wedden, toelagen en onkostenvergoedingen
De rechters, de aanklager, de substituut-aanklagers, de griffier en de
substituut-griffier ontvangen de wedden, toelagen en onkostenvergoedingen
vastgesteld door de Vergadering van Staten die Partij zijn. Deze wedden en
toelagen worden tijdens hun ambtstermijn niet verlaagd.
Artikel 50
Officiële talen en werktalen
1. De officiële talen van het Hof zijn Arabisch, Chinees, Engels, Frans,
Russisch en Spaans. De arresten van het Hof, alsmede andere beslissingen
betreffende aangelegenheden ten gronde die aan het Hof zijn voorgelegd, worden
bekendgemaakt in de officiële talen. Het voorzitterschap beslist overeenkomstig
de criteria vastgelegd in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering welke
beslissingen voor de toepassing van dit punt kunnen worden beschouwd als
beslissingen ten gronde.
2. De werktalen van het Hof zijn Engels en Frans. Het Reglement voor de proces-
en bewijsvoering regelt de gevallen waarin andere officiële talen als werktaal
kunnen worden gebruikt.
3. Op verzoek van een partij in een geding of van een Staat die gemachtigd werd
om in een procedure tussenbeide te komen, verleent het Hof toestemming voor het
gebruik van een andere taal dan Engels of Frans door een dergelijke partij of
Staat, op voorwaarde dat het Hof zulks voldoende verantwoord acht.
Artikel 51
Reglement voor de proces- en bewijsvoering
1. Het Reglement voor de proces- en bewijsvoering wordt van kracht zodra het is
goedgekeurd met een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van
Staten die Partij zijn.
2. Wijzigingen in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering kunnen worden
voorgesteld door :
(a) elke Staat die Partij is;
(b) de rechters bij absolute meerderheid; of
(c) de aanklager.
Dergelijke wijzigingen treden in werking zodra zij zijn goedgekeurd met een
tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij
zijn.
3. Na goedkeuring van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering kunnen de
rechters, in de dringende gevallen waarin een bepaalde situatie die aan het Hof
is voorgelegd niet in het Reglement is opgenomen, bij een tweederde meerderheid
voorlopige regels opstellen die worden toegepast tot hun goedkeuring, wijziging
of verwerping tijdens de eerstvolgende gewone of bijzondere zitting van de
Vergadering van Staten die Partij zijn.
4. Het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, de wijzigingen daarin en de
voorlopige regels moeten verenigbaar zijn met dit Statuut. Wijzigingen in het
Reglement voor de proces- en bewijsvoering alsmede de voorlopige regels worden
niet met terugwerkende kracht toegepast ten nadele van de persoon tegen wie een
onderzoek loopt of die wordt vervolgd of is veroordeeld.
5. Ingeval het Statuut en het Reglement voor de proces- en bewijsvoering
strijdig zijn, heeft het Statuut voorrang.
Artikel 52
Huishoudelijk reglement van het Hof
1. Overeenkomstig dit Statuut en het Reglement voor de proces- en bewijsvoering
keuren de rechters bij absolute meerderheid het huishoudelijk reglement van het
Hof goed dat noodzakelijk is voor de dagelijkse werking van het Hof.
2. De aanklager en de griffier worden geraadpleegd bij de uitwerking van het
huishoudelijk reglement en wijzigingen daarin.
3. Het huishoudelijk reglement en wijzigingen daarin treden in werking zodra zij
zijn goedgekeurd tenzij de rechters anders beslissen. Zodra zij zijn
goedgekeurd, worden zij voor commentaar gestuurd aan de Staten die Partij zijn.
Indien binnen zes maanden geen bezwaren zijn van een meerderheid van Staten die
Partij zijn, blijven zij van kracht.
HOOFDSTUK V. - Onderzoek en vervolging
Artikel 53
Instellen van een onderzoek
De aanklager stelt na evaluatie van de informatie die hem ter kennis is gesteld,
een onderzoek in tenzij hij beslist dat geen redelijke grond bestaat om
krachtens dit Statuut vervolging in te stellen. Daartoe gaat de aanklager na of
:
(a) de informatie waarover hij beschikt een redelijke grond is om aan te nemen
dat een misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft, is of wordt gepleegd;
(b) de zaak ontvankelijk is of zou zijn krachtens artikel 17; en
(c) rekening houdend met de ernst van de misdaad en de belangen van de
slachtoffers, gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een onderzoek niet in
het belang van de rechtspleging zou zijn.
Indien de aanklager beslist dat geen redelijke grond bestaat om te vervolgen en
zijn beslissing enkel gestoeld is op het bepaalde onder c), stelt hij de Kamer
van vooronderzoek hiervan in kennis.
2. Indien de aanklager na onderzoek tot het besluit komt dat er onvoldoende
grond is voor vervolging omdat :
(a) er onvoldoende juridische of feitelijke gronden zijn om een bevel tot
aanhouding of dagvaarding om te verschijnen te vragen krachtens artikel 58;
(b) de zaak niet-ontvankelijk is krachtens artikel 17; of
(c) vervolging niet in het belang van de rechtspleging is, rekening houdend met
alle omstandigheden, met inbegrip van de ernst van de misdaad, de belangen van
slachtoffers en de leeftijd of zwakke gezondheid van de vermeende pleger en zijn
rol in de vermeende misdaad;
stelt hij de Kamer van vooronderzoek en de krachtens artikel 14 verwijzende
Staat of de Veiligheidsraad in geval van een zaak krachtens artikel 13, b, in
kennis van zijn beslissing en van de redenen die daaraan ten grondslag liggen.
3. (a) Op verzoek van de krachtens artikel 14 verwijzende Staat of van de
Veiligheidsraad in geval van een zaak krachtens artikel 13, b, kan de Kamer van
vooronderzoek een beslissing van de aanklager krachtens het eerste of tweede
punt om niet te vervolgen herzien en de aanklager vragen die beslissing te
heroverwegen.
(b) Daarnaast kan de Kamer van vooronderzoek, uit eigen beweging, een beslissing
van de aanklager om niet te vervolgen herzien, indien deze enkel gegrond is op
het eerste punt, c, of op het tweede punt, c. In een dergelijk geval wordt de
beslissing van de aanklager slechts van kracht indien zij door de Kamer van
vooronderzoek wordt bevestigd.
4. De aanklager kan zijn beslissing om al dan niet een onderzoek of al dan niet
vervolging in te stellen op grond van nieuwe feiten of informatie te allen tijde
heroverwegen.
Artikel 54
Taken en bevoegdheden van de aanklager met betrekking tot onderzoeken
1. De aanklager moet :
(a) teneinde de waarheid aan het licht te brengen, het onderzoek uitbreiden tot
alle feiten en bewijsmateriaal die relevant kunnen zijn om te bepalen of er
sprake is van strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit Statuut, zulks
door middel van zowel een onderzoek à charge als een onderzoek à decharge;
(b) gepaste maatregelen treffen teneinde te waarborgen dat misdaden waarover het
Hof rechtsmacht bezit doelmatig worden onderzocht en vervolgd, daarbij rekening
houdend met de belangen en persoonlijke omstandigheden van slachtoffers en
getuigen, met inbegrip van leeftijd, geslacht en gezondheidstoestand, en tevens
rekening houdend met de aard van de misdaad, in het bijzonder wanneer het
seksueel geweld, seksistisch geweld in de zin van artikel 7, derde punt, of
geweld tegen kinderen betreft; en
(c) de rechten van personen krachtens dit Statuut volledig eerbiedigen.
2. De aanklager kan onderzoeken uitvoeren op het grondgebied van een Staat :
(a) overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9; of
(b) daartoe gemachtigd door de Kamer van vooronderzoek krachtens artikel 57,
derde punt, d).
3. De aanklager kan :
(a) bewijsmateriaal verzamelen en onderzoeken;
(b) personen tegen wie een onderzoek loopt, slachtoffers en getuigen oproepen en
ondervragen;
(c) de medewerking vragen van een Staat, een gouvernementele organisatie of
instelling overeenkomstig hun bevoegdheden of hun mandaat;
(d) alle regelingen treffen of overeenkomsten sluiten die niet strijdig zijn met
dit Statuut en die noodzakelijk kunnen zijn om de medewerking van een Staat, een
intergouvernementele organisatie of een persoon te vergemakkelijken;
(e) zich ertoe verbinden in geen enkele fase van de procedure stukken of
informatie bekend te maken die hij heeft verkregen op voorwaarde van
vertrouwelijkheid en louter om nieuw bewijsmateriaal te verkrijgen, tenzij
degene die de informatie heeft verstrekt met de bekendmaking ervan instemt; en
(f) de noodzakelijke maatregelen treffen of vragen de noodzakelijke maatregelen
te treffen om de vertrouwelijkheid van de verzamelde informatie, de bescherming
van personen of de bewaring van bewijsmateriaal te verzekeren.
Artikel 55
Rechten van personen tijdens een onderzoek
1. In het kader van een onderzoek krachtens dit Statuut :
(a) is een persoon niet verplicht voor hem bezwarende verklaringen af te leggen
of schuld te bekennen;
(b) is een persoon niet onderworpen aan enigerlei vorm van dwang, druk of
bedreiging, marteling of enigerlei andere vorm van wrede, onmenselijke of
vernederende behandeling of bestraffing;
(c) wordt een persoon indien de ondervraging plaatsvindt in een andere taal dan
een taal die hij volledig begrijpt en spreekt, kosteloos bijstand verleend door
een bekwame tolk en krijgt hij de vertalingen die noodzakelijk zijn om aan de
vereisten van billijkheid te voldoen; en
(d) is een persoon niet onderworpen aan willekeurige aanhouding of detentie en
mag hij niet van zijn vrijheid worden beroofd behoudens op de gronden en
overeenkomstig de in het Statuut vastgestelde procedures.
2. Wanneer gronden bestaan om aan te nemen dat een persoon een misdaad heeft
gepleegd waarover het Hof rechtsmacht bezit en die persoon moet worden
ondervraagd door de aanklager of door nationale autoriteiten op grond van een
verzoek gedaan krachtens hoofdstuk 9 van dit Statuut, heeft die persoon
bovendien de volgende rechten waarover hij moet worden geïnformeerd alvorens te
worden ondervraagd :
(a) het recht te worden geïnformeerd over het feit dat gronden bestaan om aan
te nemen dat hij een misdaad heeft gepleegd waarover het Hof rechtsmacht bezit;
(b) het recht te zwijgen, zonder dat een dergelijk zwijgen in overweging wordt
genomen bij het vaststellen van schuld of onschuld;
(c) het recht te worden bijgestaan door een raadsman naar eigen keuze, of indien
de persoon geen raadsman heeft, te worden bijgestaan door een ambtshalve
aangewezen raadsman in alle gevallen waarin het belang van de rechtspleging dit
eist en zonder dat de persoon betaalt in die gevallen waarin de persoon daartoe
niet over voldoende middelen beschikt;
(d) het recht te worden ondervraagd in aanwezigheid van een raadsman tenzij de
persoon vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht door een raadsman te
worden bijgestaan.
Artikel 56
Rol van de Kamer van vooronderzoek
ingeval de mogelijkheid om informatie te verzamelen zich enkel een keer voordoet
1. (a) Wanneer de aanklager van oordeel is dat een onderzoek een eenmalige
gelegenheid biedt om een getuige een getuigenis of een verklaring te laten
afleggen of bewijsmateriaal te onderzoeken, te verzamelen of te toetsen met het
oog op een proces stelt hij de Kamer van vooronderzoek hiervan in kennis.
(b) In dat geval kan de Kamer van vooronderzoek op verzoek van de aanklager alle
maatregelen treffen die noodzakelijk zijn om de doelmatigheid en integriteit van
de procedure te verzekeren en, in het bijzonder, de rechten van de verdediging
te beschermen.
(c) Tenzij de Kamer van vooronderzoek anders beschikt, informeert de aanklager
de persoon die is aangehouden of verschenen naar aanleiding van een dagvaarding
in verband met het onderzoek, zodat hij kan worden gehoord, van de
omstandigheden bedoeld onder a).
2. De maatregelen bedoeld in het eerste punt, b, kunnen zijn :
(a) aanbevelingen doen of beschikkingen uitvaardigen met betrekking tot de te
volgen procedure;
(b) bevelen dat van de procedure proces-verbaal wordt gemaakt;
(c) benoemen van een deskundige;
(d) toestemming verlenen aan de advocaat van een persoon die is aangehouden of
voor het Hof is verschenen naar aanleiding van een dagvaarding, om deel te nemen
aan de procedure of wanneer nog geen aanhouding of verschijning heeft
plaatsgevonden dan wel nog geen advocaat is benoemd, om een advocaat aan te
wijzen die de belangen van de verdediging zal waarnemen.
(e) aanwijzen van een van de leden of, indien noodzakelijk, van een van de
beschikbare rechters van het Hof om aanbevelingen te doen of op eigen initiatief
beschikkingen te geven met betrekking tot het verzamelen en bewaren van
bewijsmateriaal of betreffende het verhoor;
(f) doen van alle andere stappen die noodzakelijk kunnen zijn voor het
verzamelen of bewaren van bewijsmateriaal.
3. (a) Wanneer de aanklager de in dit artikel bedoelde maatregelen niet heeft
gevraagd doch de Kamer van vooronderzoek meent dat zij noodzakelijk zijn voor de
bewaring van bewijsmateriaal dat zij essentieel acht voor de verdediging tijdens
het proces, pleegt zij overleg met de aanklager over de vraag of deze goede
redenen heeft voor het achterwege laten van bedoelde maatregelen. Indien de
Kamer van vooronderzoek daarna tot de slotsom komt dat het achterwege laten door
de aanklager van voornoemde maatregelen niet verantwoord is, kan de Kamer van
vooronderzoek dergelijke maatregelen op eigen initiatief treffen.
(b) De aanklager kan beroep aantekenen tegen een beslissing van de Kamer van
vooronderzoek om krachtens dit punt op eigen initiatief te handelen. Het beroep
wordt onderzocht in het kader van de versnelde procedure.
4. De toelaatbaarheid van bewijsmateriaal dat krachtens dit artikel bewaard of
verzameld is ten behoeve van het proces of de registratie van dat
bewijsmateriaal, wordt geregeld krachtens artikel 69 en krijgt het belang dat de
Kamer van eerse aanleg daaraan verleent.
Artikel 57
Taken en bevoegdheden van de Kamer van vooronderzoek
1. Tenzij dit Statuut anders bepaalt, vervult de Kamer van vooronderzoek zijn
taken overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.
2. (a) De beslissingen van de Kamer van vooronderzoek krachtens de artikelen 15,
18, 19, 54, tweede punt, 61, zevende punt, en 72 worden genomen met de
meerderheid van de rechters die deel ervan uitmaken.
(b) In alle andere gevallen kan een enkele rechter van de Kamer van
vooronderzoek de in dit Statuut bepaalde taken uitoefenen, tenzij anders is
bepaald in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering of anders is beslist
door een meerderheid van de Kamer van vooronderzoek.
3. De Kamer van vooronderzoek kan naast de andere taken die haar krachtens dit
Statuut zijn opgelegd :
(a) op verzoek van de aanklager, de beschikkingen uitvaardigen en de mandaten
afleveren die vereist zijn voor een onderzoek;
(b) op verzoek van een persoon die is aangehouden of verschenen krachtens een
dagvaarding overeenkomstig artikel 58, beschikkingen uitvaardigen, inzonderheid
ter zake van de maatregelen bedoeld in artikel 56, of de medewerking vragen
krachtens hoofdstuk 9 die noodzakelijk kan zijn om een persoon te helpen bij de
voorbereiding van zijn verdediging;
(c) ingeval zulks noodzakelijk is, instaan voor de bescherming en de
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en getuigen, de
bewaring van bewijs, de bescherming van personen die aangehouden of verschenen
zijn na een dagvaarding, en de bescherming van informatie die de nationale
veiligheid betreft;
(d) de aanklager machtigen om bepaalde onderzoeksmaatregelen te treffen op het
grondgebied van een Staat die Partij is zonder zich te hebben vergewist van de
medewerking van die Staat krachtens hoofdstuk 9, indien, voorzover zulks
mogelijk is rekening houdend met het standpunt van de betrokken Staat, de Kamer
van vooronderzoek in dat geval heeft bepaald dat de Staat kennelijk niet bij
machte is om gevolg te geven aan een verzoek tot medewerking omdat geen
autoriteit of bevoegd orgaan van zijn rechtsstelsel bereid is om gevolg te geven
aan een verzoek tot medewerking krachtens hoofdstuk 9;
(e) wanneer een bevel tot aanhouding of een dagvaarding tot verschijning is
uitgevaardigd krachtens artikel 58, de medewerking van de Staten vragen
krachtens artikel 93, eerste punt, j), waarbij naar behoren rekening wordt
gehouden met de ernst van het bewijsmateriaal en de rechten van de betrokken
partijen zoals bepaald in dit Statuut en in het Reglement voor de proces- en
bewijsvoering, opdat de Staten beschermende maatregelen zouden treffen ter fine
van verbeurdverklaring, in het bijzonder in het hoogste belang van de
slachtoffers
Artikel 58
Uitvaardiging door de Kamer van vooronderzoek
van een bevel tot aanhouding of van een dagvaarding tot verschijning
1. Op elk tijdstip na het instellen van een onderzoek vaardigt de Kamer van
vooronderzoek op verzoek van de aanklager een bevel tot aanhouding uit van een
persoon, indien, na onderzoek van het verzoek en het bewijsmateriaal of van
andere informatie overgelegd door de aanklager, de Kamer van vooronderzoek ervan
overtuigd is dat :
(a) redelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de persoon een misdaad heeft
gepleegd waarover het Hof rechtsmacht bezit; en
(b) de aanhouding van de persoon noodzakelijk blijkt te zijn om :
(i) te verzekeren dat de persoon zal verschijnen;
(ii) te verzekeren dat de persoon het onderzoek of de procedure voor het Hof
niet zal belemmeren of het verloop ervan in het gedrang brengen, of
(iii) in voorkomend geval, de persoon te beletten voort te gaan met het plegen
van die misdaad of een aanverwante misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit en
die voortvloeit uit dezelfde omstandigheden.
2. Het verzoek van de aanklager vermeldt :
(a) de naam van de persoon en alle overige relevante informatie met betrekking
tot zijn identificatie;
(b) een specifieke verwijzing naar de misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit
en die de persoon zou hebben gepleegd;
(c) een beknopte omschrijving van de feiten waarvan wordt beweerd dat zij de
misdaad opleveren;
(d) een samenvatting van het bewijsmateriaal en van de overige informatie die
redelijke gronden vormen om aan te nemen dat de persoon die misdaad heeft
gepleegd; en
(e) de redenen waarom de aanklager meent dat de aanhouding van de persoon
noodzakelijk is.
3. Het bevel tot aanhouding vermeldt :
(a) de naam van de persoon en alle overige relevante informatie met betrekking
tot zijn identificatie;
(b) een specifieke verwijzing naar de misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft
en die de persoon zou hebben gepleegd; en
(c) een beknopte beschrijving van de feiten waarvan wordt beweerd dat zij de
misdaad opleveren.
4. Het bevel tot aanhouding blijft van kracht zolang het Hof niet anderszins
heeft beslist.
5. Op grond van het bevel tot aanhouding kan het Hof krachtens hoofdstuk 9 de
voorlopige hechtenis of de aanhouding en overdracht van de persoon vragen.
6. De aanklager kan de Kamer van vooronderzoek vragen het bevel tot aanhouding
te wijzigen door middel van een andere omschrijving van de daarin vermelde
misdrijven of door de toevoeging van nieuwe misdaden. De Kamer van vooronderzoek
wijzigt het bevel tot aanhouding dienovereenkomstig indien zij goede redenen
heeft om aan te nemen dat de persoon de anders omschreven of bijkomende misdaden
heeft gepleegd.
7. De aanklager kan de Kamer van vooronderzoek vragen een dagvaarding tot
verschijning van de persoon uit te vaardigen in plaats van een bevel tot
aanhouding. Indien de Kamer van vooronderzoek ervan overtuigd is dat redelijke
gronden bestaan om aan te nemen dat de persoon de hem ten laste gelegde misdaad
heeft gepleegd en dat een dagvaarding tot verschijning voldoende is om de
verschijning van de persoon te verzekeren, vaardigt zij de dagvaarding uit, met
of zonder vrijheidsbeperkende voorwaarden (andere dan detentie) indien het
nationale recht daarin voorziet. De dagvaarding vermeldt :
(a) de naam van de persoon en alle overige relevante informatie met betrekking
tot zijn identificatie;
(b) de datum van de verschijning;
(c) een specifieke verwijzing naar de misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit
en die de persoon zou hebben gepleegd; en
(d) een beknopte omschrijving van de feiten waarvan wordt beweerd dat zij de
misdaad opleveren.
De dagvaarding wordt aan de betrokken persoon betekend.
Artikel 59
Aanhoudingsprocedure in de Staat van detentie
1. Een Staat die Partij is en een verzoek betreffende de voorlopige hechtenis,
aanhouding en overdracht heeft ontvangen moet onmiddellijk maatregelen nemen met
het oog op de aanhouding van de betrokken persoon overeenkomstig zijn wetgeving
en het bepaalde in hoofdstuk 9.
2. Een aangehouden persoon moet onverwijld worden gebracht voor de bevoegde
gerechtelijke autoriteit in de Staat van detentie, die overeenkomstig de
wetgeving van die Staat nagaat of :
(a) het bevel tot aanhouding die persoon betreft;
(b) de persoon volgens de geldende procedure is aangehouden, en
(c) de rechten van de persoon zijn geëerbiedigd.
3. De aangehouden persoon heeft het recht bij de bevoegde autoriteit van de
Staat van detentie een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling in te dienen in
afwachting van zijn overdracht.
4. Wanneer de bevoegde autoriteit van de Staat van detentie zich over dat
verzoek uitspreekt overweegt zij of er, gelet op de ernst van de vermeende
misdrijven, dringende en uitzonderlijke omstandigheden zijn die een voorlopige
invrijheidstelling verantwoorden en of de noodzakelijke waarborgen bestaan om te
verzekeren dat de Staat van detentie zijn verplichting die persoon aan het Hof
over te dragen kan nakomen. De bevoegde autoriteit van de Staat van detentie kan
evenwel niet onderzoeken of het bevel tot aanhouding op geldige wijze is
uitgevaardigd overeenkomstig artikel 58, eerste punt, a en b.
5. De Kamer van vooronderzoek wordt in kennis gesteld van elk verzoek tot
voorlopige invrijheidstelling en doet aanbevelingen aan de bevoegde autoriteit
van de Staat van detentie. De bevoegde autoriteit van de Staat van detentie
neemt deze aanbevelingen, alsmede eventueel deze betreffende maatregelen ter
voorkoming van ontvluchting van de persoon volledig in overweging alvorens een
beslissing te nemen.
6. Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd kan de Kamer van
vooronderzoek vragen dat regelmatig verslag wordt uitgebracht over het regime
van de voorlopige invrijheidstelling.
7. Zodra het bevel tot overdracht door de Staat van detentie is gegeven wordt de
persoon zo spoedig mogelijk aan het Hof overgedragen.
Artikel 60
Oorspronkelijke rechtspleging voor het Hof
1. Na de overdracht van de persoon aan het Hof of na zijn verschijning voor het
Hof uit vrije wil of op dagvaarding gaat de Kamer van vooronderzoek na of de
persoon in kennis is gesteld van de misdaden die hem ten laste worden gelegd en
van zijn rechten krachtens dit Statuut, met inbegrip van het recht om een
verzoek tot voorlopige invrijheidstelling in te dienen in afwachting van het
proces.
2. Een persoon tegen wie een bevel tot aanhouding is uitgevaardigd kan in
afwachting van het proces een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling
indienen. Wanneer de Kamer van vooronderzoek ervan overtuigd is dat wordt
voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 58, eerste punt, blijft de persoon
in detentie. In het andere geval stelt de Kamer van vooronderzoek de persoon in
vrijheid met of zonder voorwaarden.
3. De Kamer van vooronderzoek herbestudeerd haar beslissing tot
invrijheidstelling of detentie van de persoon op geregelde tijdstippen en kan
dit op elk tijdstip doen op verzoek van de aanklager of van de betrokkene. Bij
die gelegenheid kan de Kamer haar beslissing met betrekking tot detentie,
invrijheidstelling of de voorwaarden met betrekking tot invrijheidstelling
wijzigen, indien zij ervan overtuigd is dat gewijzigde omstandigheden zulks
verantwoorden.
4. De Kamer van vooronderzoek stelt alles in het werk opdat de detentie voor het
proces niet onredelijk lang duurt als gevolg van onverschoonbare vertraging door
de aanklager. Indien een dergelijke vertraging zich voordoet, overweegt het Hof
de invrijheidstelling van de persoon met of zonder voorwaarden.
5. Indien noodzakelijk kan de Kamer van vooronderzoek een bevel tot aanhouding
uitvaardigen ter verzekering van de verschijning van een persoon die in vrijheid
is gesteld.
Artikel 61
Bevestiging van de ten laste gelegde feiten voor het proces
1. Onverminderd het bepaalde in het tweede punt houdt de Kamer van vooronderzoek
binnen een redelijke termijn na de overdracht aan het Hof of na de vrijwillige
verschijning van de persoon een zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde
feiten op grond waarvan de aanklager voornemens is zich te baseren om een vonnis
te vorderen. De zitting wordt gehouden in aanwezigheid van de aanklager, de
persoon tegen wie een onderzoek of vervolging is ingesteld, alsmede zijn
raadsman.
2. De Kamer van vooronderzoek kan op verzoek van de aanklager of uit eigen
beweging een zitting houden in afwezigheid van de betrokkene ter bevestiging van
de ten laste gelegde feiten op grond waarvan de aanklager voornemens is zich te
baseren om een vonnis te vorderen, wanneer de persoon :
(a) afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn; of
(b) gevlucht of onvindbaar is, hoewel alle redelijke stappen zijn ondernomen om
zijn verschijning voor het Hof te verzekeren en om de persoon in kennis te
stellen van de ten laste gelegde feiten en van het feit dat een zitting wordt
gehouden ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten.
In dat geval wordt de persoon vertegenwoordigd door een advocaat wanneer de
Kamer van vooronderzoek stelt dat zulks in het belang van de rechtspleging is.
3. Binnen een redelijke termijn voor de zitting :
(a) ontvangt de persoon een schriftelijke kennisgeving met vermelding van de ten
laste gelegde feiten op grond waarvan de aanklager voornemens een vonnis te
vorderen; en
(b) wordt de persoon in kennis gesteld van het bewijsmateriaal waarop de
aanklager voornemens is zich tijdens de zitting te baseren.
De Kamer van vooronderzoek kan beschikkingen uitvaardigen met betrekking tot de
bekendmaking van informatie ten behoeve van de zitting.
4. Voor de zitting kan de aanklager het onderzoek voortzetten en de ten laste
gelegde feiten wijzigen of intrekken. De betrokken persoon wordt binnen een
redelijke termijn voor de zitting in kennis gesteld van wijzigingen in of van de
intrekking van de ten laste gelegde feiten. In geval van intrekking van de ten
laste gelegde feiten stelt de aanklager de Kamer van vooronderzoek in kennis van
de redenen voor de intrekking.
5. Tijdens de zitting staaft de aanklager elk ten laste gelegd feit met
voldoende bewijsmateriaal zodat kan worden vastgesteld dat ernstige redenen
bestaan om aan te nemen dat de persoon de ten laste gelegde misdaad heeft
gepleegd. De aanklager mag gebruik maken van bewijsmateriaal onder de vorm van
documenten of van samenvattingen en is niet ertoe gehouden de getuigen op te
roepen die tijdens het proces moeten getuigen.
6. Op de zitting kan de persoon :
(a) de ten laste gelegde feiten betwisten;
(b) het bewijsmateriaal van de aanklager betwisten; en
(c) bewijsmateriaal aanvoeren.
7. Na afloop van de zitting stelt de Kamer van vooronderzoek vast of voldoende
bewijsmateriaal bestaat zodat kan worden vastgesteld dat ernstige redenen
bestaan om aan te nemen dat de persoon alle ten laste gelegde misdaden heeft
gepleegd. Op grond daarvan beslist de Kamer van vooronderzoek tot :
(a) bevestiging van de ten laste gelegde feiten ten aanzien waarvan zij heeft
vastgesteld dat voldoende bewijsmateriaal bestaat en tot verwijzing van de
persoon naar een Kamer van eerste aanleg om terecht te staan op grond van de
bevestigde ten laste gelegde feiten;
(b) niet-bevestiging van die ten laste gelegde feiten ten aanzien waarvan zij
heeft vastgesteld dat onvoldoende bewijsmateriaal bestaat;
(c) verdaging van de zitting en een verzoek aan de aanklager om te overwegen :
(i) nader bewijsmateriaal te verstrekken of nader onderzoek uit te voeren met
betrekking tot een bepaald ten laste gelegd feit; of
(ii) een ten laste gelegd feit te wijzigen omdat het overgelegde bewijsmateriaal
een andere misdaad blijkt op te leveren waarover het Hof rechtsmacht bezit.
8. Wanneer de Kamer van vooronderzoek een ten laste gelegd feit niet bevestigt,
belet zulks de aanklager niet de bevestiging ervan te vragen op een later
tijdstip indien zijn verzoek wordt gestaafd met aanvullend bewijsmateriaal.
9. Na de bevestiging van de ten laste gelegde feiten en voor het begin van het
proces, kan de aanklager met toestemming van de Kamer van vooronderzoek en na
kennisgeving aan de verdachte, de ten laste gelegde feiten wijzigen. Indien de
aanklager aanvullende feiten aan de ten laste gelegde feiten wenst toe te voegen
of ernstiger ten laste gelegde feiten in de plaats te stellen, moet een zitting
worden gehouden krachtens dit artikel om die feiten te bevestigen. Na aanvang
van het proces kan de aanklager met toestemming van de Kamer van eerste aanleg
de ten laste gelegde feiten intrekken.
10. Een bevel tot aanhouding dat voordien is uitgevaardigd, houdt op van kracht
te zijn voorzover het ten laste gelegde feiten betreft die niet door de Kamer
van vooronderzoek zijn bevestigd of die door de aanklager zijn ingetrokken.
11. Zodra de ten laste gelegde feiten zijn bevestigd overeenkomstig dit artikel,
stelt het voorzitterschap een Kamer van eerste aanleg samen die krachtens het
achtste punt en artikel 64, vierde punt, verantwoordelijk is voor de
daaropvolgende fase van het proces en die alle taken van de Kamer van
vooronderzoek mag vervullen die in het proces relevant zijn en kunnen worden
toegepast.
HOOFDSTUK VI. - Terechtzitting
Artikel 62
Plaats van terechtzitting
Tenzij anders wordt besloten, vindt de terechtzitting plaats op de zetel van het
Hof.
Artikel 63
Aanwezigheid van de verdachte
1. De verdachte woont de terechtzitting bij.
2. Indien de verdachte, die voor het Hof aanwezig is, de terechtzitting blijft
verstoren, kan de Kamer van eerste aanleg de verdachte uit de rechtszaal
verwijderen en ervoor zorgen dat hij of zij de terechtzitting kan volgen en de
raadsman van buiten de rechtszaal instructies kan geven, zonodig door middel van
het gebruik van communicatietechnologie. Dergelijke maatregelen worden alleen in
uitzonderlijke omstandigheden getroffen, nadat andere redelijke alternatieven
ongeschikt zijn gebleken, en slechts voor zolang dit strikt noodzakelijk is.
Artikel 64
Taken en bevoegdheden van de Kamer van eerste aanleg
1. De in dit artikel vermelde taken en bevoegdheden van de Kamer van eerste
aanleg worden uitgeoefend overeenkomstig dit Statuut en het Reglement voor de
proces- en bewijsvoering.
2. De Kamer van eerste aanleg draagt zorg ervoor dat de terechtzitting eerlijk
en vlot verloopt en wordt gehouden met volledige eerbiediging van de rechten van
de verdachte en behoorlijke inachtneming van de bescherming van slachtoffers en
getuigen.
3. Bij aanwijzing van een zaak voor terechtzitting overeenkomstig dit Statuut
moet de Kamer van eerste aanleg die is aangewezen om de zaak te behandelen :
(a) overleg plegen met de partijen en de procedures toepassen die noodzakelijk
zijn om een eerlijk en vlot verloop van de procesvoering te waarborgen;
(b) de taal of de talen vaststellen die op de terechtzitting worden gebruikt; en
(c) onverminderd de overige relevante bepalingen van dit Statuut zorg dragen
voor de bekendmaking van nog niet eerder bekendgemaakte stukken of informatie
ruim voor de aanvang van de terechtzitting teneinde een passende voorbereiding
ervan mogelijk te maken.
4. De Kamer van eerste aanleg kan, indien dit noodzakelijk is voor haar
doeltreffend en eerlijk functioneren, prejudiciële kwesties naar de Kamer van
vooronderzoek verwijzen of indien noodzakelijk naar een andere beschikbare
rechter van de Afdeling vooronderzoek.
5. De Kamer van eerste aanleg kan in voorkomend geval bij kennisgeving aan de
partijen gelasten dat de tenlasteleggingen ten aanzien van verscheidene
beschuldigden worden samengevoegd of gesplitst.
6. De Kamer van eerste aanleg kan bij de uitoefening van haar taken voorafgaand
aan of in de loop van een terechtzitting zonodig :
(a) alle in artikel 61, elfde punt, vermelde taken van de Kamer van
vooronderzoek uitoefenen;
(b) de verschijning en het verhoor van getuigen gelasten, alsook de overlegging
van stukken en ander bewijsmateriaal door zonodig de bijstand in te roepen van
staten zoals bepaald in dit Statuut;
(c) zorg dragen voor de bescherming van vertrouwelijke informatie;
(d) de overlegging gelasten van bewijsmateriaal in aanvulling op het bewijs dat
reeds voor de terechtzitting is vergaard of tijdens de terechtzitting door de
partijen naar voren is gebracht;
(e) zorg dragen voor de bescherming van de beschuldigde, van de getuigen en de
slachtoffers; en
(f) beslissen over alle overige relevante zaken.
7. De terechtzitting is openbaar. De Kamer van eerste aanleg kan echter het
sluiten der deuren uitspreken met betrekking tot bepaalde zittingen, zulks
wegens bijzondere omstandigheden overeenkomstig artikel 68 of ter bescherming
van vertrouwelijke of gevoelige informatie verstrekt in een getuigenverklaring.
8. (a) Bij de aanvang van het proces laat de Kamer van eerste aanleg aan de
beschuldigde de ten laste gelegde feiten voorlezen, die voordien door de Kamer
van vooronderzoek zijn bevestigd. De Kamer van eerste aanleg overtuigt zich
ervan dat de beschuldigde de aard van de tenlasteleggingen begrijpt. Zij geeft
hem de gelegenheid schuld te bekennen overeenkomstig artikel 65 of zich
onschuldig te verklaren.
(b) Ter terechtzitting kan de voorzitter aanwijzingen geven ten aanzien van het
verloop van de debatten, mede ter verzekering dat zij op eerlijke en
onpartijdige wijze verlopen. Onder voorbehoud van eventuele instructies van de
voorzitter kunnen de partijen bewijsmateriaal overleggen overeenkomstig het
bepaalde in dit Statuut.
9. De Kamer van eerste aanleg kan op verzoek van een partij of ambtshalve :
(a) beslissen of bewijs ontvankelijk of relevant is; en
(b) alle noodzakelijke maatregelen treffen teneinde de zitting ordelijk te doen
verlopen.
10. De Kamer van eerste aanleg zorgt ervoor dat de griffier een volledig
proces-verbaal van het proces opmaakt en bewaart, waarin de debatten
waarheidsgetrouw worden weergegeven.
Artikel 65
Rechtspleging in geval van schuldbekentenis
1. Wanneer de beschuldigde schuld bekent overeenkomstig artikel 64, achtste
punt, a, beslist de Kamer van eerste aanleg of :
(a) de beschuldigde de aard en de gevolgen van zijn schuldbekentenis begrijpt;
(b) de bekentenis vrijwillig is gedaan na voldoende overleg met de raadsman van
de beschuldigde; en
(c) de schuldbekentenis wordt ondersteund door de feiten in de zaak, zoals deze
blijken uit :
(i) de tenlasteleggingen die de aanklager naar voren heeft gebracht en de
verdachte heeft toegegeven;
(ii) materiaal dat de aanklager heeft overgelegd met betrekking tot de ten laste
gelegde feiten en dat de beschuldigde heeft aanvaard; en
(iii) enig ander bewijs, zoals getuigenverklaringen, dat de aanklager of de
beschuldigde naar voren heeft gebracht.
2. Wanneer de Kamer van eerste aanleg ervan overtuigd is dat is voldaan aan de
voorwaarden omschreven in het eerste punt, beschouwt deze Kamer de
schuldbekentenis samen met het overgelegde aanvullende bewijs als vaststelling
van alle essentiële feiten die vereist zijn als bewijs voor de misdaad waarop
de schuldbekentenis betrekking heeft en kan zij beslissen dat de beschuldigde
zich aan die misdaad schuldig heeft gemaakt.
3. Wanneer de Kamer van eerste aanleg niet ervan overtuigd is dat is voldaan aan
de voorwaarden gesteld in het eerste punt, beschouwt zij de schuldbekentenis als
niet gedaan. In dat geval gelast zij de terechtzitting voort te zetten volgens
de in dit Statuut bepaalde normale procedures voor terechtzitting en kan zij de
zaak naar een andere Kamer van eerste aanleg verwijzen.
4. Wanneer de Kamer van eerste aanleg van oordeel is dat een meer volledige
voorstelling van de feiten in de zaak noodzakelijk is in het belang van de
rechtspleging, in het bijzonder in het belang van de slachtoffers, kan zij :
(a) de aanklager verzoeken aanvullend bewijs over te leggen, met inbegrip van
getuigenverklaringen; of
(b) gelasten dat de terechtzitting volgens de in dit Statuut bepaalde normale
procedures voor terechtzitting wordt voortgezet. In dat geval beschouwt zij de
schuldbekentenis als niet gedaan en kan zij de zaak verwijzen naar een andere
Kamer van eerste aanleg.
5. Mondeling overleg tussen de aanklager en de verdediging over een wijziging in
de tenlasteleggingen, de schuldbekentenis of de op te leggen straf is niet
bindend voor het Hof.
Artikel 66
Vermoeden van onschuld
1. Een ieder wordt verondersteld onschuldig te zijn totdat zijn schuld voor het
Hof is bewezen overeenkomstig het toepasselijke recht.
2. Op de aanklager rust de plicht de schuld van de beschuldigde te bewijzen.
3. Teneinde de beschuldigde te veroordelen moet het Hof buiten iedere redelijke
twijfel overtuigd zijn van zijn schuld.
Artikel 67
Rechten van de verdachte
1. Bij het onderzoek van de tenlastelegging heeft de beschuldigde recht op een
openbare zitting die met inachtneming van het bepaalde in dit Statuut op een
eerlijke en onpartijdige wijze moet worden gehouden, alsook ten minste met de
volgende waarborgen, zulks op grond van volledige gelijkheid :
(a) onverwijld en in detail op de hoogte worden gesteld van de reden en van de
inhoud van het hem ten laste gelegde feit in een taal die de verdachte volledig
begrijpt en spreekt;
(b) over voldoende tijd en middelen beschikken voor de voorbereiding van de
verdediging en vrijelijk en vertrouwelijk met de raadsman van zijn keuze kunnen
communiceren;
(c) berecht worden zonder buitensporige vertraging;
(d) onverminderd het bepaalde in artikel 63, tweede punt, zijn proces bijwonen,
zelf verweer voeren of zich laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze,
wanneer hij geen rechtsbijstand heeft op de hoogte worden gesteld dat hij daarop
recht heeft en rechtsbijstand toegewezen krijgen door het Hof in alle gevallen
waarin het belang van de rechtspleging dit vereist, zulks kosteloos indien hij
niet over voldoende middelen ter betaling daarvan beschikt;
(e) getuigen à charge ondervragen of doen ondervragen en de verschijning en
ondervraging bewerkstelligen van getuigen à décharge onder dezelfde
voorwaarden als die welke gelden voor getuigen à charge. De beschuldigde is
tevens gerechtigd verweermiddelen aan te voeren en ander, krachtens dit Statuut
ontvankelijk bewijs naar voren te brengen;
(f) kosteloos bijstand krijgen van een bekwame tolk en kunnen beschikken over de
vertalingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de vereisten inzake
eerlijkheid, indien de taal gebruikt tijdens een van de zittingen van het Hof of
in een van de stukken die aan het Hof worden overgelegd, geen taal is die de
beschuldigde volledig begrijpt en spreekt;
(g) niet worden gedwongen te getuigen tegen zichzelf of schuld bekennen en
kunnen blijven zwijgen zonder dat dit zwijgen bij de bepaling van schuld of
onschuld in overweging wordt genomen;
h) een onbeëdigde mondelinge of schriftelijke verklaring voor zijn verdediging
afleggen; en
i) niet worden onderworpen aan een omkering van de bewijslast of aan enige
verplichting tot tegenbewijs.
2. Naast enige andere krachtens dit Statuut bepaalde bekendmaking stelt de
aanklager de verdediging in een zo vroeg mogelijk stadium in kennis van het
bewijsmateriaal dat zich in zijn bezit bevindt of waarover hij beschikt en
waarvan hij of zij meent dat het de onschuld van de beschuldigde aantoont of
daartoe bijdraagt, of dat het zijn schuld verlicht, of dat de geloofwaardigheid
kan aantasten van bewijsmateriaal à charge. Het Hof beslist in gevallen waarin
twijfel bestaat over de toepassing van dit punt.
Artikel 68
Bescherming van slachtoffers en getuigen en hun deelname aan het proces
1. Het Hof treft passende maatregelen ter bescherming van de veiligheid, het
lichamelijk en geestelijk welzijn, de waardigheid en de persoonlijke levenssfeer
van slachtoffers en getuigen. Hierbij neemt het Hof alle relevante factoren in
aanmerking, daaronder begrepen leeftijd, geslacht zoals gedefinieerd in artikel
7, derde punt, gezondheid, en de aard van de misdaad in het bijzonder maar niet
uitsluitend, wanneer de misdaad gepaard gaat met seksueel of seksistisch geweld
in de zin van voornoemd artikel 7, derde punt, of met geweld tegen kinderen. De
aanklager treft dergelijke maatregelen in het bijzonder tijdens het onderzoek en
de vervolging van deze misdaden. Deze maatregelen mogen geen afbreuk doen aan of
onverenigbaar zijn met de rechten van de verdediging en met de vereisten van een
eerlijk en onpartijdig proces.
2. Als uitzondering op het in artikel 67 vastgelegde beginsel dat zittingen
openbaar zijn, kunnen de Kamers van het Hof, ter bescherming van slachtoffers en
getuigen of van een beschuldigde, enig deel van het proces in een besloten
zitting doen plaatsvinden of toestaan dat bewijs wordt geleverd door middel van
elektronische of andere bijzondere middelen. Dergelijke maatregelen worden in
het bijzonder getroffen bij slachtoffers van seksueel geweld of bij kinderen die
slachtoffer of getuige zijn, tenzij het Hof, alle omstandigheden in aanmerking
genomen, in het bijzonder de zienswijzen van het slachtoffer of de getuige
anders bepaalt.
3. Indien de persoonlijke belangen van de slachtoffers in het geding zijn, staat
het Hof toe dat hun zienswijzen en zorgen naar voren worden gebracht en in
overweging worden genomen in daartoe door het Hof als passend bepaalde stadia
van het proces en op een wijze die geen afbreuk doet aan of onverenigbaar is met
de rechten van de verdediging en met de vereisten van een eerlijk en onpartijdig
proces. Deze zienswijzen en zorgen kunnen naar voren worden gebracht door de
wettelijke vertegenwoordigers van de slachtoffers wanneer het Hof dit passend
acht overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
4. De Afdeling Hulp aan Slachtoffers en Getuigen kan aan de aanklager en aan het
Hof advies verlenen omtrent de beschermende maatregelen, de bepalingen inzake
veiligheid en het advies en de bijstand bedoeld in artikel 43, zesde punt.
5. Wanneer bekendmaking van bewijsmateriaal of van informatie krachtens dit
Statuut de veiligheid van een getuige of van zijn gezins- en familieleden
ernstig in gevaar kan brengen, kan de aanklager ten behoeve van de onderdelen
van de rechtspleging die voor de aanvang van het proces plaatsvinden, dat bewijs
of die informatie niet bekendmaken en in plaats daarvan een samenvatting
verstrekken. Dit soort maatregelen wordt getroffen op een wijze die geen afbreuk
doet aan of onverenigbaar is met de rechten van de verdediging en met de
vereisten van een eerlijk en onpartijdig proces.
6. Een Staat kan erom verzoeken dat de maatregelen worden getroffen die
noodzakelijk zijn ter bescherming van zijn ambtenaren of beambten, of van
vertrouwelijke of gevoelige informatie.
Artikel 69
Bewijs
1. Alvorens een getuigenverklaring af te leggen, moet elke getuige
overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering de plechtige
gelofte afleggen dat zijn verklaring waarheidsgetrouw is.
2. De getuigen worden persoonlijk gehoord tijdens de terechtzitt ing onder
voorbehoud van de maatregelen vermeld in artikel 68 of in het Reglement voor de
proces- en bewijsvoering. Het Hof kan ook toestaan dat een getuige een
mondelinge verklaring aflegt, een beeld- of geluidsbandopname, stukken of
schriftelijke transcripties overlegt, onder voorbehoud van dit Statuut en
overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering. Deze maatregelen
mogen geen afbreuk doen aan of onverenigbaar zijn met de rechten van de
verdediging.
3. De partijen kunnen bewijsmateriaal overleggen dat voor de zaak relevant is
overeenkomstig artikel 64. Het Hof is bevoegd om overlegging te verzoeken van
elk bewijs dat het noodzakelijk acht ter vaststelling van de waarheid.
4. Het Hof kan overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering
beslissen of het bewijs relevant of ontvankelijk is, waarbij het onder meer
rekening houdt met de bewijskracht ervan en met de afbreuk die dit bewijs kan
doen aan een eerlijk proces of aan een eerlijke afweging van de verklaring van
een getuige.
5. Het Hof eerbiedigt de regels inzake vertrouwelijkheid die zijn vastgesteld in
het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
6. Het Hof verlangt geen bewijs van feiten die algemeen bekend zijn maar kan
rechterlijk notitie ervan nemen.
7. Bewijsmateriaal verkregen door schending van dit Statuut of van
internationaal erkende mensenrechten is niet-ontvankelijk, indien :
(a) de schending ernstige twijfel doet rijzen ten aanzien van de betrouwbaarheid
van het bewijs; of
(b) de toelating van het bewijs in strijd zou zijn met de integriteit van de
rechtspleging en deze ernstig zou schaden.
8. Wanneer het Hof beslist over de relevantie of de ontvankelijkheid van bewijs
dat door een Staat is vergaard, doet het geen uitspraak over de toepassing van
het nationale recht van die Staat.
Artikel 70
Misdrijven tegen de rechtsbedeling
1. Het Hof heeft rechtsmacht ter zake van de volgende misdrijven tegen de
rechtsbedeling van het Hof wanneer deze opzettelijk worden begaan :
(a) afleggen van valse getuigenverklaringen wanneer krachtens artikel 69, eerste
punt, de verplichting bestaat de waarheid te spreken;
(b) leveren van bewijs waarvan de partij weet dat het vals of vervalst is;
(c) verleiden van een getuige, deze beletten te verschijnen of vrijelijk een
verklaring af te leggen, wraak nemen op een getuige wegens het afleggen van een
verklaring of vernietigen of vervalsen van bewijsmateriaal of beletten dat
bewijsmateriaal wordt vergaard;
(d) hinderen, intimideren of frauduleus beïnvloeden van een lid of van een
ambtenaar van het Hof teneinde hem te dwingen of over te halen zijn taken niet
of op onjuiste wijze te vervullen;
(e) wraak nemen op een lid of op een ambtenaar van het Hof wegens de taken die
hij of zij of een ander lid of ambtenaar heeft vervuld;
(f) als lid of ambtenaar van het Hof in samenhang met zijn officiële taken
steekpenningen vragen of aannemen.
2. De beginselen en de procedure op grond waarvan het Hof zijn bevoegdheid
uitoefent ten aanzien van misdrijven omschreven in dit artikel zijn bepaald in
het Reglement voor de proces- en bewijsvoering. De wijzen van internationale
samenwerking met het Hof inzake de toepassing van de bepalingen van dit artikel
worden geregeld door de nationale wetgeving van de aangezochte Staat.
3. Bij veroordeling kan het Hof een gevangenisstraf opleggen van ten hoogste
vijf jaar of een boete overeenkomstig het Reglement voor de proces- en
bewijsvoering, of beide.
4. (a) Elke Staat die Partij is, voorziet in de uitbreiding van de toepassing
van zijn strafrechtelijke bepalingen, op grond waarvan misdrijven tegen de
integriteit van zijn onderzoeksprocedures of van zijn rechtsstelsel strafbaar
worden gesteld, tot misdrijven tegen de rechtsbedeling overeenkomstig dit
artikel, die begaan zijn op zijn grondgebied of door een van zijn onderdanen;
(b) Een Staat die Partij is, legt op verzoek van het Hof en wanneer hij dit
passend acht, de zaak voor aan zijn bevoegde autoriteiten met het oog op
vervolging. Die autoriteiten nemen dergelijke zaken met voortvarendheid in
behandeling en besteden daaraan voldoende middelen om hen op doelmatige wijze te
kunnen behandelen.
Artikel 71
Sancties bij wangedrag voor het Hof
1. Het Hof kan wangedrag tijdens de terechtzitting, daaronder begrepen
verstoring van de rechtspleging en moedwillige weigering de aanwijzingen van het
Hof op te volgen, bestraffen door middel van administratieve maatregelen andere
dan vrijheidsbeneming, zoals tijdelijke of duurzame verwijdering uit de
rechtszaal, een boete of andere in het Reglement voor de proces- en
bewijsvoering vastgestelde vergelijkbare maatregelen.
2. De sanctieregeling omschreven het eerste punt is vastgelegd in het Reglement
voor de proces- en bewijsvoering.
Artikel 72
Bescherming van informatie die verband houdt met de nationale veiligheid
1. Dit artikel geldt in alle gevallen waarin de bekendmaking van informatie of
stukken van een staat, naar de mening van die Staat zijn nationale
veiligheidsbelangen schaadt. Deze gevallen betreffen inzonderheid zaken die
vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 56, punten 2 en 3, artikel 61,
derde punt, artikel 64, derde punt, artikel 67, tweede punt, artikel 68, zesde
punt, artikel 87, zesde punt en artikel 93, alsmede gevallen die zich voordoen
in enig ander stadium van de rechtspleging wanneer een dergelijke bekendmaking
aan de orde kan zijn.
2. Dit artikel geldt tevens wanneer een persoon aan wie is verzocht informatie
of bewijsmateriaal te verschaffen, heeft geweigerd dit te doen of de zaak naar
de staat heeft verwezen omdat bekendmaking de nationale veiligheidsbelangen van
een Staat zou schaden en de betrokken Staat bevestigt dat hij van mening is dat
bekendmaking zijn nationale veiligheidsbelangen zou schaden.
3. Niets in dit artikel doet afbreuk aan de vereisten van vertrouwelijkheid die
krachtens artikel 54, derde punt, e en f, van toepassing zijn of aan de
toepassing van artikel 73.
4. Indien het een Staat ter kennis komt dat informatie of stukken van de Staat
in enig stadium van de rechtspleging worden bekendgemaakt of waarschijnlijk
worden bekendgemaakt en hij van oordeel is dat bekendmaking zijn nationale
veiligheidsbelangen zou schaden, heeft die Staat het recht tussenbeide te komen
teneinde een oplossing voor de kwestie te verkrijgen overeenkomstig dit artikel.
5. Indien naar het oordeel van een Staat bekendmaking van informatie zijn
nationale veiligheidsbelangen zou schaden, neemt die Staat in samenwerking met
de aanklager de verdediging of de Kamer van vooronderzoek respectievelijk de
Kamer van eerste aanleg naar gelang van het geval, alle redelijke maatregelen om
te trachten door overleg tot oplossing van de zaak te komen. Dergelijke
maatregelen kunnen onder meer bestaan in :
(a) wijziging of verduidelijking van het verzoek;
(b) het Hof doen beslissen over de relevantie van de informatie of het bewijs
waarom is verzocht of over de vraag of het bewijsmateriaal, hoewel relevant, zou
kunnen worden verkregen of is verkregen door middel van een andere bron dan de
aangezochte Staat;
(c) informatie of bewijsmateriaal verkrijgen door middel van een andere bron of
in een andere vorm; of
(d) overeenstemming bereiken over de voorwaarden waaronder de bijstand zou
kunnen worden verleend, met inbegrip van onder meer het verstrekken van
samenvattingen of bewerkte stukken, het opleggen van beperkingen ten aanzien van
de bekendmaking, het gebruiken van een rechtspleging met gesloten deuren of bij
afwezigheid van de andere partij, alsook andere krachtens het Statuut en het
Reglement toegestane beschermende maatregelen.
6. Als alle redelijke maatregelen zijn genomen om de zaak door overleg op te
lossen en de Staat van oordeel is dat geen middelen of voorwaarden bestaan die
hem de mogelijkheid bieden de informatie of stukken te bezorgen of bekend te
maken zonder zijn nationale veiligheidsbelangen te schaden, stelt de Staat de
aanklager of het Hof daarvan in kennis, alsook van de precieze redenen die aan
zijn beslissing ten grondslag liggen, tenzij een precieze beschrijving van de
redenen zelf noodzakelijkerwijs afbreuk zou doen aan de nationale
veiligheidsbelangen van de Staat.
7. Indien het Hof daarna het bewijsmateriaal relevant en noodzakelijk acht ter
vaststelling van de schuld of onschuld van de beschuldigde, kan het Hof de
volgende maatregelen nemen :
(a) wanneer om bekendmaking van de informatie of van het stuk wordt verzocht
krachtens een verzoek om medewerking overeenkomstig Hoofdstuk 9 of de in het
tweede punt vermelde omstandigheden, en de Staat een beroep heeft gedaan op de
weigeringsgrond bedoeld in artikel 93, vierde punt :
(i) kan het Hof, alvorens tot de slotsom te komen die is bedoeld in het zevende
punt, a, ii, om aanvullend overleg verzoeken teneinde de opmerkingen van de
Staat in overweging te nemen, in voorkomend geval met inbegrip van zittingen. Op
verzoek van de Staat houdt het Hof die zittingen met gesloten deuren en bij
afwezigheid van de andere partij;
(ii) indien het Hof tot de slotsom komt dat de aangezochte Staat, door zich te
beroepen op de weigeringsgrond bedoeld in artikel 93, vierde punt, in de
omstandigheden van het geval niet handelt overeenkomstig zijn verplichtingen
krachtens dit Statuut, kan het Hof de zaak verwijzen overeenkomstig artikel 87,
zevende punt, zulks onder opgave van de redenen voor zijn beslissing;
(iii) kan het Hof tijdens de terechtzitting van de beschuldigde ten aanzien van
het al dan niet bestaan van een feit de conclusie trekken die het terzake
passend acht; of
(b) in alle andere omstandigheden :
(i) bevel geven tot bekendmaking;
(ii) zoniet, tijdens de terechtzitting van de beschuldigde ten aanzien van het
al dan niet bestaan van een feit de conclusie trekken die het Hof terzake
passend acht.
Artikel 73
Informatie of stukken van derden
Indien een Staat die Partij is, door het Hof wordt verzocht stukken of gegevens
te verstrekken die hij in bewaring, in bezit of onder zijn toezicht heeft, of
die hem in vertrouwen zijn bekendgemaakt door een staat, een
inter-gouvernementele organisatie of een internationale organisatie, verzoekt
hij degene van wie dat stuk of die informatie afkomstig is, om toestemming tot
bekendmaking ervan. Indien de informatie of het stuk afkomstig is van een Staat
die Partij is, verleent deze laatste toestemming tot bekendmaking van de
informatie of het stuk of tracht hij het probleem betreffende bekendmaking met
het Hof op te lossen onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 72. Indien het
stuk of de informatie niet afkomstig is van een Staat is die Partij is en deze
weigert toestemming tot bekendmaking te verlenen, stelt de aangezochte Staat het
Hof ervan in kennis dat hij het stuk of de informatie niet kan verschaffen ten
gevolge van een reeds daarvoor bestaande verplichting tot vertrouwelijkheid ten
aanzien van degene van wie het stuk of de informatie afkomstig is.
Artikel 74
Voorwaarden gesteld aan de beslissing
1. Alle rechters van de Kamer van eerste aanleg moeten in elk stadium van het
proces en tijdens de beraadslagingen aanwezig zijn. De voorzitter mag, van geval
tot geval, een of meer plaatsvervangende rechters, voorzover beschikbaar,
aanwijzen om in elk stadium van het proces aanwezig te zijn en een lid van de
Kamer van eerste aanleg te vervangen dat de bijwoning niet kan voortzetten.
2. De beslissing van de Kamer van eerste aanleg is gegrond op haar beoordeling
van het bewijsmateriaal en de volledige rechtspleging. De beslissing mag alleen
betrekking hebben op de feiten en omstandigheden omschreven in de
tenlastelegging en op alle daarin aangebrachte wijzigingen. De beslissing is
alleen gegrond op bewijs dat is voorgelegd en tijdens het proces is onderzocht.
3. De rechters trachten tot eenstemmigheid te komen in hun beslissing, zoniet
wordt zij bij meerderheid genomen.
4. De beraadslagingen van de Kamer van eerste aanleg zijn en blijven geheim.
5. De beslissing wordt schriftelijk vastgelegd en omvat een volledig met redenen
omkleed verslag van de bevindingen van de Kamer van eerste aanleg inzake het
bewijs en de conclusies. De Kamer van eerste aanleg spreekt slechts een
beslissing uit. Wanneer de beslissing niet eenstemmig is, vermeldt de beslissing
van de Kamer van eerste aanleg de zienswijzen van de meerderheid en van de
minderheid. De beslissing of een samenvatting ervan wordt in een openbare
zitting voorgelezen.
Artikel 75
Herstelbetalingen aan slachtoffers
1. Het Hof stelt beginselen vast met betrekking tot herstelbetalingen aan
slachtoffers of aan hun rechthebbenden, daaronder begrepen restitutie,
schadeloosstelling en rehabilitatie. Op grond daarvan kan het Hof in zijn
beslissing, hetzij op verzoek, hetzij uit eigen beweging in uitzonderlijke
omstandigheden, de omvang bepalen van de schade, het verlies of het letsel
veroorzaakt aan slachtoffers of aan hun rechthebbenden en vermeldt het Hof de
beginselen waarop zijn beslissing is gegrond.
2. Het Hof kan ten aanzien van een veroordeelde persoon een beschikking geven
die voorziet in passende herstelbetalingen aan slachtoffers of aan hun
rechthebbenden. Dat herstel kan onder meer de vorm aannemen van restitutie,
schadeloosstelling of rehabilitatie. Het Hof kan in voorkomend geval beslissen
dat de toekenning van herstelbetalingen geschiedt via het in artikel 79 bedoelde
Trustfonds.
3. Alvorens een beschikking te geven krachtens dit artikel, kan het Hof
gelegenheid geven tot het kenbaar maken van opmerkingen door of uit naam van de
veroordeelde persoon, de slachtoffers, andere belanghebbenden of belanghebbende
staten, en daarmee rekening houden.
4. Nadat een persoon is veroordeeld voor een misdaad waarover het Hof
rechtsmacht bezit, kan het bij de uitoefening van de krachtens dit artikel
verleende bevoegdheid, bepalen of het, om uitvoering te geven aan een
beschikking die het krachtens dit artikel kan geven, noodzakelijk is om
maatregelen te verzoeken krachtens artikel 93, eerste punt.
5. Een Staat die Partij is, geeft uitvoering aan beslissingen genomen krachtens
dit artikel alsof het bepaalde in artikel 109 op dit artikel van toepassing is.
6. De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de rechten die krachtens
het nationaal of het internationaal recht aan slachtoffers worden verleend.
Artikel 76
Vonnis
1. In geval van veroordeling stelt de Kamer van eerste aanleg de op te leggen
straf vast rekening houdend met het bewijsmateriaal en de conclusies die tijdens
de het proces naar voren zijn gebracht en die relevant zijn voor het vonnis.
2. Behoudens wanneer artikel 65 van toepassing is en voor het einde van het
proces kan de Kamer van eerste aanleg ambtshalve of moet zij op verzoek van de
aanklager of van de beschuldigde een bijkomende terechtzitting houden teneinde
kennis te nemen van aanvullend bewijs of aanvullende conclusies die relevant
zijn voor de bepaling van de straf overeenkomstig het Reglement voor de proces-
en bewijsvoering.
3. Indien het tweede lid van toepassing is, neemt de Kamer van eerste aanleg
kennis van de opmerkingen bedoeld in artikel 75 tijdens de in het tweede punt
omschreven bijkomende terechtzitting en indien nodig tijdens een nieuwe zitting.
4. Het vonnis wordt in het openbaar uitgesproken en indien mogelijk in
aanwezigheid van de verdachte.
HOOFDSTUK VII. - Straffen
Artikel 77
Toepasselijke straffen
1. Onverminderd artikel 110 kan het Hof een van de volgende straffen opleggen
aan een persoon die veroordeeld is wegens een in artikel 5 van dit Statuut
bedoelde misdaad :
(a) opsluiting voor een bepaald aantal jaren, met een maximum van 30 jaar; of
(b) levenslange opsluiting wanneer het buitengewoon ernstige karakter van de
misdaad en de persoonlijke situatie van de veroordeelde persoon zulks
verantwoorden.
2. Naast opsluiting kan het Hof opleggen :
(a) een boete volgens de maatstaven bepaald in het Reglement voor de proces- en
bewijsvoering;
(b) verbeurdverklaring van opbrengsten, bezittingen en vermogensbestanddelen die
rechtstreeks of onrechtstreeks uit die misdaad afkomstig zijn, zulks
onverminderd de rechten van derden te goeder trouw.
Artikel 78
Strafbepaling
1. Bij de strafbepaling houdt het Hof overeenkomstig het Reglement voor de
proces- en bewijsvoering rekening met factoren zoals de ernst van de misdaad en
de persoonlijke situatie van de veroordeelde persoon.
2. Bij de oplegging van een vonnis tot opsluiting brengt het Hof de tijd in
mindering die de veroordeelde overeenkomstig een bevel van het Hof in detentie
heeft doorgebracht. Het Hof kan de tijd in mindering brengen die in detentie is
doorgebracht wegens gedragingen die verband houden met de misdaad.
3. Wanneer een persoon aan meer dan een misdaad schuldig wordt bevonden, spreekt
het Hof een vonnis uit voor elke misdaad en een samengevoegd vonnis waarin de
totale duur van de opsluiting wordt vermeld. Deze periode mag niet korter zijn
dan de zwaarste afzonderlijk opgelegde straf en niet langer dan 30 jaar
opsluiting of levenslange gevangenisstraf overeenkomstig artikel 77, eerste
punt, b.
Artikel 79
Trustfonds
1. Krachtens een beslissing van de Vergadering van Staten die Partij zijn, wordt
een trustfonds opgericht ten behoeve van slachtoffers van misdaden waarover het
Hof rechtsmacht bezit, en van hun gezins- en familieleden.
2. Het Hof kan gelasten dat opbrengsten uit boeten en verbeurdverklaringen aan
het trustfonds worden gestort.
3. Het trustfonds wordt beheerd overeenkomstig de beginselen vastgesteld door de
Vergadering van Staten die Partij zijn.
Artikel 80
Statuut, toepassing van straffen door de Staten en nationaal recht
Niets in dit hoofdstuk van het Statuut doet afbreuk eraan dat de Staten de
straffen toepassen die door hun nationaal recht zijn voorgeschreven, noch aan de
toepassing van het recht van Staten die niet hebben voorzien in de straffen die
in dit Hoofdstuk zijn voorgeschreven.
HOOFDSTUK VIII. - Beroep en herziening
Artikel 81
Beroep tegen een beslissing betreffende de schuld of de straf
1. Overeenkomstig het Reglement voor proces- en bewijsvoering kan op de volgende
wijzen beroep worden ingesteld tegen een beslissing gegeven krachtens artikel
74.
(a) De aanklager kan beroep instellen op een van de volgende gronden :
(i) een procedurefout,
(ii) dwaling ten aanzien van de feiten, of
(iii) dwaling ten aanzien van het recht;
(b) De gevonniste persoon of de aanklager namens hem kan beroep instellen op een
van de volgende gronden :
(i) een procedurefout;
(ii) dwaling ten aanzien van de feiten;
(iii) dwaling ten aanzien van het recht of
(iv) alle overige gronden die de eerlijkheid en de betrouwbaarheid van de
rechtspleging of de beslissing aantasten.
2. (a) De aanklager of de veroordeelde kan overeenkomstig het Reglement voor de
proces- en bewijsvoering tegen de uitgesproken straf beroep instellen op grond
van disproportionaliteit tussen de misdaad en het vonnis;
(b) Indien het Hof bij een beroep tegen de uitgesproken straf gronden aanwezig
acht om de veroordeling geheel of gedeeltelijk te vernietigen, kan het de
aanklager en de veroordeelde vragen gronden aan te voeren krachtens artikel 81,
eerste punt, a of b en kan het uitspraak doen over de beslissing betreffende de
schuld overeenkomstig artikel 83;
(c) Dezelfde procedure geldt indien het Hof bij een beroep dat alleen de
beslissing betreffende de schuld betreft, gronden aanwezig acht tot vermindering
van de straf krachtens het tweede punt, a).
3. (a) Tenzij de Kamer van eerste aanleg anders beslist, blijft de schuldig
bevonden persoon gedetineerd tijdens de beroepsprocedure;
(b) Wanneer de duur van de detentie die van de uitgesproken straf te boven gaat,
wordt de schuldig bevonden persoon in vrijheid gesteld. Indien evenwel ook de
aanklager beroep instelt, kan de invrijheidstelling worden onderworpen aan de
voorwaarden vermeld in punt c);
(c) In geval van vrijspraak wordt de beschuldigde onmiddellijk in vrijheid
gesteld onder voorbehoud van de volgende voorwaarden :
(i) in buitengewone omstandigheden, en rekening houdend onder meer met het
vluchtgevaar, de ernst van het misdrijf en de slaagkans van het beroep, kan de
Kamer van eerste aanleg op verzoek van de aanklager bevelen dat de beschuldigde
tijdens de beroepsprocedure in detentie wordt gehouden;
(ii) de beschikking die de Kamer van eerste aanleg krachtens (i) heeft gegeven,
is vatbaar voor beroep overeenkomstig het Reglement voor de proces- en
bewijsvoering.
4. Onder voorbehoud van de bepalingen van het derde punt, a en b, wordt de
tenuitvoerlegging van de beslissing betreffende de schuld of van het vonnis
opgeschort gedurende de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld en
tijdens de beroepsprocedure.
Artikel 82
Beroep tegen andere beslissingen
1. Elk van beide partijen kan overeenkomstig het Reglement voor de proces- en
bewijsvoeringberoep beroep instellen tegen de volgende beslissingen :
(a) een beslissing inzake rechtsmacht of ontvankelijkheid;
(b) een beschikking tot verlening of weigering van de invrijheidstelling van de
persoon tegen wie een onderzoek loopt of die wordt vervolgd;
(c) een beslissing van de Kamer van vooronderzoek tot handelen op eigen
initiatief krachtens artikel 56, derde punt;
(d) een beslissing die verband houdt met een probleem dat een aanzienlijke
invloed kan hebben op het eerlijk en vlot verloop van de rechtspleging of op de
uitkomst van het proces en waarvan de onmiddellijke oplossing volgens de Kamer
van vooronderzoek of de Kamer van eerste aanleg de voortgang van de
rechtspleging in belangrijke mate kan bevorderen.
2. De betrokken staat of de aanklager kan met machtiging van de Kamer van
vooronderzoek beroep instellen tegen de beslissing van die Kamer bedoeld in
artikel 57, derde punt, d). Het beroep wordt onderzocht in het kader van een
versnelde procedure.
3. Het beroep heeft slechts schorsende werking indien de Kamer van beroep zulks
beveelt op grond van een verzoek ingediend overeenkomstig het Reglement voor de
proces- en bewijsvoering.
4. De wettelijke vertegenwoordiger van de slachtoffers, de veroordeelde of de
eigenaar te goeder trouw van een goed dat nadelig wordt getroffen door een
beschikking gegeven op grond van artikel 73, kan daartegen beroep instellen
overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
Artikel 83
Beroepsprocedure
1. De Kamer van beroep heeft alle bevoegdheden van de Kamer van eerste aanleg
met het oog op het voeren van de procedures bedoeld in artikel 81 en in dit
artikel.
2. Indien de Kamer van beroep vaststelt dat de rechtspleging waartegen beroep is
ingesteld, dermate oneerlijk is verlopen dat afbreuk wordt gedaan aan de
regelmatigheid van de beslissing of van de veroordeling, of dat de beslissing of
de veroordeling waartegen beroep is ingesteld, in ernstige mate is aangetast
door dwaling ten aanzien van de feiten of van het recht, kan zij :
(a) de beslissing of het vonnis ongedaan maken of wijzigen; of
(b) een nieuw proces gelasten voor een andere Kamer van eerste aanleg.
De Kamer van beroep kan te dien einde een feitelijke kwestie verwijzen naar de
Kamer van eerste aanleg waarbij de zaak oorspronkelijk aanhangig was gemaakt
opdat deze laatste daarover beslist en bij de Kamer van beroep verslag uitbrengt
of kan deze laatste Kamer zelf om bewijsmateriaal verzoeken teneinde een
beslissing te kunnen nemen. Wanneer alleen de veroordeelde persoon of de
aanklager in zijn naam beroep instelt tegen de beslissing of de veroordeling,
kunnen deze niet in zijn nadeel worden gewijzigd.
3. Indien de Kamer van beroep in het kader van een beroep tegen een veroordeling
vaststelt dat de straf niet in evenredige verhouding staat tot de misdaad, kan
zij de straf overeenkomstig Hoofdstuk 7 wijzigen.
4. Het vonnis van de Kamer van beroep wordt gewezen bij meerderheid van de
rechters en in openbare zitting uitgesproken. Het vonnis wordt met redenen
omkleed. Bij gebreke van eenstemmigheid vermeldt voornoemd vonnis de zienswijzen
van de meerderheid en van de minderheid, maar een rechter kan zijn persoonlijk
of afwijkend oordeel omtrent een rechtsvraag toevoegen.
5. De Kamer van beroep kan haar vonnis uitspreken in afwezigheid van de
vrijgesproken of veroordeelde persoon.
Artikel 84
Herziening van een beslissing betreffende de schuld of de straf
1. De schuldig bevonden persoon of, indien die overleden is, zijn echtgenoot,
zijn kinderen, zijn ouders, enig ander persoon in leven op het tijdstip van het
overlijden van betrokkene die door deze laatste uitdrukkelijk schriftelijk
daartoe is gemachtigd of de aanklager handelend in naam van betrokkene kunnen om
de volgende redenen bij de Kamer van beroep een verzoek indienen tot herziening
van de definitieve beslissing betreffende de schuld of de straf :
(a) er is een nieuw feit ontdekt dat :
(i) niet gekend was tijdens het proces zonder dat deze omstandigheid geheel of
gedeeltelijk toe te schrijven was aan de verzoeker; en
(ii) indien het tijdens het proces was vastgesteld, zou het hoogstwaarschijnlijk
aanleiding hebben gegeven tot een andere uitspraak.
(b) er is ontdekt dat een doorslaggevend bewijselement, dat tijdens het proces
in aanmerking is genomen en op grond waarvan de schuld is vastgesteld, vals,
nagemaakt of vervalst was;
(c) een of meer rechters die mede de beslissing betreffende de schuld hebben
genomen of de ten laste gelegde feiten hebben bevestigd, hebben in de zaak een
handeling gesteld die moet worden beschouwd als een ernstige fout of als ernstig
plichtsverzuim, en die voldoende zwaarwegend is om krachtens artikel 46 de
ontzetting uit hun ambt te rechtvaardigen.
2. De Kamer van beroep wijst het verzoek af indien zij het ongegrond acht.
Indien zij vaststelt dat het verzoek gegrond is kan zij naar gelang van het
geval :
(a) de Kamer van eerste aanleg die het oorspronkelijke vonnis heeft gewezen,
opnieuw bijeenroepen;
(b) een nieuwe Kamer van eerste aanleg samenstellen; of
(c) de rechtsmacht over de zaak aan zich houden,
teneinde, na de partijen te hebben gehoord op de wijze omschreven in het
Reglement voor de proces- en bewijsvoering, te kunnen vaststellen of het vonnis
moet worden herzien.
Artikel 85
Schadevergoeding aan aangehouden of veroordeelde personen
1. Een ieder die het slachtoffer is geworden van onwettige aanhouding of
detentie heeft recht op schadevergoeding.
2. Wanneer een definitieve veroordeling daarna nietig wordt verklaard omdat een
nieuw of daarna aan het licht gebracht feit bewijst dat zich een rechterlijke
dwaling heeft voorgedaan, wordt de persoon die op grond van die veroordeling een
straf heeft ondergaan, schadeloos gesteld overeenkomstig de wet, tenzij wordt
aangetoond dat het niet op tijd bekendmaken van het onbekende feit geheel of
gedeeltelijk aan betrokkene is toe te rekenen.
3. Indien het Hof in buitengewone omstandigheden op grond van feitelijke
bewijsstukken vaststelt dat een duidelijke en ernstige rechterlijke dwaling
heeft plaatsgevonden, kan het op eigen initiatief overeenkomstig de criteria
bepaald in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering schadevergoeding
toekennen aan een persoon die in detentie was geplaatst en in vrijheid is
gesteld ingevolge een definitieve vrijspraak of omdat om die reden een einde is
gemaakt aan de vervolging.
HOOFDSTUK IX. - Internationale samenwerking en wederzijdse rechtshulp
Artikel 86
Algemene verplichting tot samenwerking
De Staten die Partij zijn werken overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut
ten volle samen met het Hof in het kader van zijn onderzoek naar en vervolging
van de misdaden die tot zijn bevoegdheid behoren.
Artikel 87
Verzoeken om samenwerking : algemene bepalingen
1. (a) Het Hof is bevoegd om aan Staten die Partij zijn verzoeken om
samenwerking te richten. De verzoeken worden overgebracht langs diplomatieke of
elke andere passende weg die iedere Staat die Partij is kiest op het tijdstip
van zijn bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van dit Statuut of bij
toetreding tot dit Statuut.
Iedere Staat die Partij is brengt daarna wijzigingen aan in de keuze van wijze
van overbrenging overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
(b) Indien nodig en onverminderd het bepaalde in a), kunnen verzoeken ook worden
overgebracht door de Internationale Organisatie van Criminele Politie of door
andere bevoegde regionale organisaties.
2. Verzoeken om medewerking en de stukken ter ondersteuning van het verzoek
worden hetzij gesteld in een officiële taal van de aangezochte Staat of gaan
vergezeld van een vertaling in die taal, hetzij gesteld in een van de werktalen
van het Hof of gaan vergezeld in een van die talen, zulks naar gelang van de
keuze gemaakt door de aangezochte Staat of het tijdstip van bekrachtiging,
aanvaarding of goedkeuring van dit Statuut of bij toetreding ertoe.
Latere wijzigingen in deze keuze worden gedaan overeenkomstig het Reglement voor
de proces- en bewijsvoering.
3. De aangezochte Staat neemt het vertrouwelijke karakter in acht van de
verzoeken om samenwerking en van de stukken ter ondersteuning ervan, behalve
indien de bekendmaking ervan noodzakelijk is ter uitvoering van het verzoek.
4. Met betrekking tot een verzoek om bijstand gedaan op grond van Hoofdstuk 9
kan het Hof alle maatregelen treffen, met inbegrip van maatregelen ter
bescherming van informatie, die noodzakelijk zijn om de veiligheid en het
lichamelijke of geestelijke welzijn van slachtoffers, van mogelijke getuigen en
van hun gezins- en familieleden te waarborgen. Het Hof kan erom verzoeken dat
alle op grond van dit hoofdstuk verstrekte gegevens worden meegedeeld en
behandeld op een wijze die de veiligheid en het lichamelijke of geestelijke
welzijn van slachtoffers, van mogelijke getuigen en van hun gezins- en
familieleden vrijwaart.
5. Het Hof kan een staat die geen partij is vragen in het kader van dit
hoofdstuk bijstand te verlenen op grond van een ad-hocregeling, van een
overeenkomst gesloten met die staat of op andere passende gronden.
Indien een staat die geen partij is bij dit Statuut en die met het Hof een
ad-hocregeling is aangegaan of een overeenkomst heeft gesloten, niet de bijstand
verleent waarom overeenkomstig die regeling of overeenkomst is verzocht, kan het
Hof daarvan kennis geven aan de Vergadering van Staten die Partij zijn of aan de
Veiligheidsraad ingeval deze laatste de zaak bij het Hof aanhangig heeft
gemaakt.
6. Het Hof kan intergouvernementele organisaties verzoeken informatie of stukken
te verstrekken. Het Hof kan ook verzoeken om andere vormen van samenwerking en
bijstand die het met een intergouvernementele organisatie is overeengekomen en
die in overeenstemming zijn met zijn bevoegdheid of mandaat.
7. Indien een Staat die Partij is in strijd met het bepaalde in dit Statuut geen
gevolg geeft aan een verzoek tot samenwerking van het Hof en dit laatste aldus
hindert zijn taken en bevoegdheden verleend door dit Statuut uit te oefenen, kan
het Hof daarvan akte nemen en de zaak voorleggen aan de Vergadering van Staten
die Partij zijn of aan de Veiligheidsraad wanneer deze laatste de zaak bij het
Hof aanhangig heeft gemaakt.
Artikel 88
Procedures beschikbaar op grond van de nationale wetgeving
De Staten die Partij zijn zorgen ervoor dat hun nationale wetgeving voorziet in
procedures die de mogelijkheid bieden alle vormen van samenwerking bedoeld in
dit hoofdstuk te verwezenlijken.
Artikel 89
Overdracht van personen aan het Hof
1. Het Hof kan aan de staat op het grondgebied waarvan een persoon zich kan
bevinden een verzoek samen met stukken tot staving ervan bedoeld in artikel 91
richten dat ertoe strekt die persoon aan te houden en aan hem over te dragen,
alsook om de medewerking van die staat verzoeken om die persoon aan te houden en
over te dragen. De Staten die Partij zijn reageren op ieder verzoek tot
aanhouding en overdracht overeenkomstig de bepalingen van dit Hoofdstuk en van
de procedures bepaald in hun nationale wetgeving.
2. Indien de persoon van wie de overdracht wordt gevraagd bij een nationaal
gerecht een zaak aanhangig maakt die is gegrond op het beginsel non bis in idem
omschreven in artikel 20, raadpleegt de aangezochte staat onverwijld het Hof
teneinde te vernemen of terzake een beslissing omtrent de ontvankelijkheid ervan
bestaat. Indien is beslist dat de zaak ontvankelijk is, geeft de aangezochte
staat gevolg aan het verzoek. Indien de beslissing omtrent de ontvankelijkheid
hangende is, kan de aangezochte staat de tenuitvoerlegging van het verzoek
uitstellen tot wanneer het Hof uitspraak heeft gedaan.
3. (a) De Staten die Partij zijn staan overeenkomstig de procedures bepaald in
hun nationale wetgeving het vervoer doorheen hun grondgebied toe van ieder
persoon die door een andere staat naar het Hof wordt overgebracht, behalve
wanneer zulks de overdracht zou hinderen of vertragen;
(b) Het Hof zendt de verzoeken om vervoer over een grondgebied toe
overeenkomstig artikel 87. Het verzoek bevat :
(i) het signalement van de overgebrachte persoon;
(ii) een korte uiteenzetting van de feiten en van de juridische omschrijving
ervan; en
(iii) het bevel tot aanhouding en de beschikking tot overdracht;
(c) De overgebrachte persoon blijft tijdens zijn overbrenging gedetineerd;
(d) Er is geen toestemming vereist indien de persoon door de lucht wordt
vervoerd en geen landing is voorzien op het grondgebied van de staat van
doorvoer;
(e) Indien een onvoorziene landing plaatsvindt op het grondgebied van de staat
van doorvoer, kan die staat eisen dat het Hof een verzoek tot doorvoer in de
vormen omschreven in b indient. De staat van doorvoer plaatst de betrokken
persoon in detentie in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de
werkelijke totstandbrenging van de doorvoer. Een detentie op grond van dit punt
mag evenwel niet langer duren dan 96 uur te rekenen van de onvoorziene landing,
indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
4. Indien de persoon van wie de overdracht wordt gevraagd in de aangezochte
staat wordt vervolgd of een straf ondergaat wegens een andere misdaad dan die
waarvoor het Hof zijn overdracht vraagt, raadpleegt de aangezochte staat die
besloten heeft het verzoek in te willigen, het Hof.
Artikel 90
Concurrerende verzoeken
1. Ingeval een Staat die Partij is, krachtens artikel 89 van het Hof een verzoek
tot overdracht ontvangt en van een andere staat een verzoek tot uitlevering
ontvangt betreffende dezelfde persoon en voor dezelfde gedragingen, die de
grondslag vormen van de misdaad waarvoor het Hof om overdracht van die persoon
verzoekt, moet die staat het Hof en de verzoekende staat daarvan in kennis
stellen.
2. Wanneer de verzoekende staat een staat is die Partij is, verleent de
aangezochte staat voorrang aan het verzoek van het Hof :
(a) indien het Hof krachtens de artikelen 18 en 19 heeft besloten dat de zaak
waarop het verzoek tot overdracht betrekking heeft, ontvankelijk is rekening
houdend met het gevoerde onderzoek of de vervolging die de verzoekende staat in
verband met zijn verzoek tot uitlevering heeft verricht; of
(b) indien het Hof niet de in punt (a) omschreven beslissing heeft genomen
ingevolge de kennisgeving van de aangezochte staat bedoeld in het eerste punt.
3. Wanneer het Hof niet de beslissing bedoeld in het tweede punt, a heeft
genomen, kan de aangezochte staat, indien hij zulks wenst, het verzoek tot
uitlevering van de verzoekende staat beginnen te onderzoeken in afwachting dat
het Hof uitspraak doet krachtens het tweede punt, b). De aangezochte Staat
levert de betrokken persoon niet uit zolang het Hof niet heeft beslist dat de
zaak niet-ontvankelijk is. Het Hof doet uitspraak in het kader van een versnelde
procedure.
4. Indien de verzoekende staat geen partij is bij dit Statuut, geeft de
aangezochte staat, indien die niet gebonden is door een internationale
verplichting tot uitlevering van de persoon aan de verzoekende staat, voorrang
aan het verzoek tot overdracht van het Hof, indien het Hof heeft beslist dat de
zaak ontvankelijk is.
5. Wanneer een zaak bedoeld in het vierde punt door het Hof niet-ontvankelijk is
geoordeeld, kan de aangezochte staat, indien hij zulks wenst, het verzoek tot
uitlevering van de verzoekende staat beginnen te onderzoeken.
6. In de gevallen waarin het vierde punt van toepassing is en tenzij de
aangezochte staat gebonden is door een internationale verplichting tot
uitlevering van de betrokken persoon aan de verzoekende staat die geen partij is
bij dit Statuut, beslist de aangezochte Staat of hij de persoon aan het Hof moet
overdragen of die persoon aan de verzoekende staat moet uitleveren. De
aangezochte staat houdt bij het nemen van zijn beslissing rekening met alle
relevante factoren, onder meer :
(a) de chronologische volgorde van de verzoeken;
(b) de belangen van de verzoekende staat, inzonderheid het gegeven dat de
misdaad op zijn grondgebied is gepleegd en de nationaliteit van de slachtoffers
en van de persoon van wie de overdracht wordt gevraagd; en
(c) de mogelijkheid dat de verzoekende Staat de betrokken persoon daarna aan het
Hof overdraagt.
7. Ingeval een Staat die Partij is, van het Hof een verzoek tot overdracht
ontvangt en van een andere staat een verzoek tot uitlevering ontvangt
betreffende dezelfde persoon en voor gedragingen die verschillen van die welke
de grondslag vormen van de misdaad waarvoor het Hof om overdracht van die
persoon verzoekt :
(a) geeft de aangezochte staat voorrang aan het verzoek van het Hof, indien hij
niet gebonden is door een internationale verplichting tot uitlevering van de
persoon aan de verzoekende staat;
(b) indien de aangezochte Staat gebonden is door een internationale verplichting
tot uitlevering van de persoon aan de verzoekende staat, draagt hij die persoon
over aan het Hof of levert hij de persoon uit aan de verzoekende Staat. De
aangezochte Staat houdt bij het maken van zijn keuze rekening met alle relevante
factoren, onder meer die omschreven in het zesde punt, maar hecht bijzonder
belang aan de aard en de ernst van de betrokken gedragingen.
8. Wanneer het Hof na ontvangst van een kennisgeving krachtens dit artikel heeft
geoordeeld dat een zaak niet-ontvankelijk is en de uitlevering aan de
verzoekende staat daarna wordt geweigerd, stelt de aangezochte staat het Hof van
deze beslissing in kennis.
Artikel 91
Inhoud van het verzoek tot aanhouding en overdracht
1. Verzoeken tot aanhouding en overdracht worden schriftelijk gedaan. In
spoedeisende gevallen kan een verzoek worden gedaan aan de hand van enig middel
dat een schriftelijk bewijs biedt, op voorwaarde dat het wordt bevestigd op de
wijze omschreven in artikel 87, eerste punt, a.
2. Indien het verzoek betrekking heeft op de aanhouding en de overdracht van een
persoon ten aanzien van wie de Kamer van vooronderzoek een bevel tot aanhouding
heeft uitgevaardigd krachtens artikel 58, bevat het verzoek of wordt het
gestaafd door :
(a) een signalement van de gezochte persoon, dat toereikend is voor zijn
identificatie en gegevens met betrekking tot de plaats waar die persoon zich
waarschijnlijk bevindt;
(b) een kopie van het bevel tot aanhouding; en
(c) de noodzakelijke stukken, verklaringen of gegevens die in de aangezochte
staat kunnen worden geëist om over te gaan tot de overdracht. De vereisten
gesteld door de aangezochte Staat mogen in dit geval evenwel niet zwaarder zijn
dan die welke gelden voor verzoeken tot uitlevering gedaan krachtens verdragen
of regelingen gesloten tussen de aangezochte staat en andere staten en moeten
zelfs, indien mogelijk, minder zwaar zijn gelet op de bijzondere aard van het
Hof.
3. Indien het verzoek betrekking heeft op de aanhouding en de overdracht van een
persoon die reeds schuldig is bevonden, bevat het verzoek of wordt het gestaafd
door :
(a) een kopie van elk bevel tot aanhouding met betrekking tot die persoon;
(b) een kopie van het vonnis; en
(c) gegevens waaruit blijkt dat de gezochte persoon wel degelijk die is op wie
het vonnis betrekking heeft; en
(d) indien de gezochte persoon veroordeeld is tot een straf, een kopie van de
veroordeling en, in geval van een gevangenisstraf, vermelding van de reeds
ondergane duur van de straf en van die welke nog moet worden ondergaan.
4. Op verzoek van het Hof pleegt een Staat die Partij is, overleg met het Hof,
hetzij in het algemeen, hetzij met betrekking tot een bepaalde zaak, over de
voorwaarden bepaald in zijn nationale wetgeving die krachtens het tweede punt,
c), van toepassing zouden kunnen zijn. Bij dit overleg stelt de Staat die Partij
is, het Hof in kennis van de bijzondere vereisten van zijn nationale wetgeving.
Artikel 92
Voorlopige aanhouding
1. Het Hof kan in spoedeisende gevallen vragen dat wordt overgegaan tot de
voorlopige aanhouding van de gezochte persoon in afwachting dat het verzoek tot
overdracht en de stukken tot staving bedoeld in artikel 91, worden overgelegd.
2. Het verzoek tot voorlopige aanhouding wordt gedaan aan de hand van een middel
dat een schriftelijk bewijs biedt en volgende stukken bevat :
(a) een signalement van de betrokken persoon, dat toereikend is voor zijn
identificatie en gegevens omtrent de plaats waar die persoon zich waarschijnlijk
bevindt;
(b) een beknopt overzicht van de misdaden waarvoor de persoon wordt gezocht en
de feiten die het bestanddeel vormen van zijn misdaden, met inbegrip van, indien
mogelijk, datum en plaats ervan;
(c) een verklaring waaruit blijkt dat ten aanzien van de gezochte persoon een
bevel tot aanhouding is uitgevaardigd of een vonnis tot vaststelling van zijn
schuld is gewezen; en
(d) een verklaring waarin is aangegeven dat een verzoek tot overdracht van de
gezochte persoon zal worden gedaan.
3. Een voorlopig aangehouden persoon kan opnieuw in vrijheid worden gesteld
indien de aangezochte staat het verzoek tot overdracht en de stukken tot staving
bedoeld in artikel 91 niet heeft ontvangen binnen de termijn gesteld in het
Reglement voor de proces- en bewijsvoering. Betrokkene kan evenwel ermee
instemmen dat hij wordt overgedragen vooraleer die termijn is verstreken indien
de wetgeving van de aangezochte staat zulks toestaat. In dit geval gaat de
aangezochte staat zo spoedig mogelijk over tot overdracht van de persoon aan het
Hof.
4. De invrijheidstelling van de gezochte persoon bedoeld in het derde punt doet
geen afbreuk aan zijn latere aanhouding en overdracht indien het verzoek tot
overdracht vergezeld van de stukken tot staving ervan daarna worden overgelegd.
Artikel 93
Andere vormen van samenwerking
1. De Staten die Partij zijn voldoen overeenkomstig de bepalingen van dit
Hoofdstuk en de procedures omschreven in hun nationale wetgeving aan verzoeken
tot bijstand die het Hof doet in verband met onderzoek of vervolging en die
betrekking hebben op :
(a) de identificatie van een persoon, de plaats waar die persoon zich bevindt of
de lokalisatie van goederen;
(b) bewijsgaring, daaronder begrepen getuigenverklaringen onder ede en
overlegging van bewijsmateriaal, met inbegrip van deskundigenonderzoek en van
verslagen die het Hof nodig heeft;
(c) verhoor van een persoon ten aanzien van wie een onderzoek is ingesteld of
die wordt vervolgd;
(d) betekening van stukken, met inbegrip van stukken betreffende de
rechtspleging;
(e) maatregelen die erop zijn gericht de vrijwillige verschijning voor het Hof
te vergemakkelijken die als getuige of deskundige een verklaring afleggen;
(f) tijdelijke overbrenging van personen overeenkomstig het zevende punt;
(g) plaatsopneming of onderzoek van terreinen, inzonderheid de opgraving en het
onderzoek van lijken begraven in massagraven;
(h) tenuitvoerlegging van huiszoekingen en inbeslagnemingen;
(i) overzending van dossiers en stukken, daaronder begrepen officiële;
(j) bescherming van slachtoffers en getuigen en instandhouding van
bewijsmateriaal;
(k) identificatie, opsporing, bevriezing of inbeslagneming van de opbrengst
verkregen uit misdaden, van goederen, van vermogensbestanddelen en van middelen
die verband houden met de misdaden, met het oog op een eventuele
verbeurdverklaring ervan, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder
trouw; en
(l) enige andere vorm van bijstand die niet verboden is door de wetgeving van de
aangezochte staat, die het onderzoek en de vervolging betreffende misdaden die
tot de bevoegdheid van het Hof behoren, kan vergemakkelijken.
2. Het Hof is gemachtigd een getuige of deskundige die voor het Hof verschijnt
te verzekeren dat hij door het Hof niet zal worden vervolgd, in detentie
gehouden of onderworpen aan enigerlei beperking van zijn persoonlijke vrijheid
wegens een handeling of verzuim voorafgaand aan zijn vertrek uit de aangezochte
staat.
3. Indien de tenuitvoerlegging van een bijzondere bijstandsmaatregel omschreven
in een verzoek gedaan overeenkomstig het eerste punt, in de aangezochte staat
verboden is op grond van een fundamenteel rechtsbeginsel van algemene
toepassing, pleegt de aangezochte staat onverwijld overleg met het Hof teneinde
te trachten de zaak op te lossen. Tijdens dit overleg wordt overwogen de
gevraagde bijstand in een andere vorm of onder bepaalde voorwaarden te verlenen.
Indien het probleem na afloop van het overleg niet is opgelost, wijzigt het Hof
het verzoek.
4. Overeenkomstig artikel 72 kan een Staat die Partij is, een verzoek om
bijstand ingediend door het Hof slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, indien
het verzoek betrekking heeft op de overlegging van stukken of de bekendmaking
van bewijsmateriaal, die zijn nationale veiligheid betreffen.
5. Alvorens een verzoek om bijstand bedoeld in het eerste punt, l), te weigeren,
gaat de aangezochte staat na of de bijstand onder bepaalde voorwaarden, later of
in een andere vorm kan worden verleend, met dien verstande dat indien het Hof of
de aanklager die voorwaarden aanvaardt, zij ze ook in acht moeten nemen.
6. De aangezochte Staat die een verzoek om bijstand weigert, deelt aan het Hof
of aan de aanklager onverwijld de redenen daarvan mee.
7. (a) het Hof kan vragen dat een gedetineerd persoon tijdelijk wordt
overgebracht om hem te identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige
andere vorm van bijstand te verkrijgen. De persoon kan worden overgebracht
indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
(i) de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging;
en
(ii) de aangezochte staat stemt in met de overbrenging, onder de voorwaarden
welke die staat en het Hof kunnen overeenkomen.
(b) De overgebrachte persoon blijft gedetineerd. Wanneer het doel van de
overbrenging is bereikt, zendt het Hof de persoon onverwijld terug naar de
aangezochte staat.
8. (a) Het Hof bewaart het vertrouwelijk karakter van de ontvangen stukken en
gegevens, behalve indien de bekendmaking ervan is vereist voor het onderzoek of
voor de procedures omschreven in het verzoek.
(b) Indien nodig kan de aangezochte staat aan de aanklager stukken of gegevens
bezorgen op grond van vertrouwelijkheid. De aanklager kan die stukken of
gegevens in dat geval slechts gebruiken om nieuw bewijsmateriaal te verkrijgen.
(c) De aangezochte staat kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de
aanklager, in een later stadium machtiging verlenen tot bekendmaking van die
stukken of gegevens, die in dat geval overeenkomstig de bepalingen van de
hoofdstukken 5 en 6 en van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering kunnen
worden aangewend als bewijsmateriaal.
9. (a) (i) Ingeval een Staat die Partij is, enerzijds van het Hof en anderzijds
van een andere staat in het kader van een internationale verplichting,
concurrerende verzoeken ontvangt, die geen betrekking hebben op overdracht of
uitlevering, moet eerstgenoemde Staat in overleg met het Hof en met de andere
staat, trachten te voldoen aan beide verzoeken, indien nodig, door een ervan uit
te stellen of afhankelijk te stellen van bepaalde voorwaarden.
(ii) Zoniet worden concurrerende verzoeken geregeld overeenkomstig de beginselen
gehuldigd in artikel 90.
(b) Indien het verzoek van het Hof evenwel betrekking heeft op gegevens, op
goederen of op personen die zich onder het gezag bevinden van een derde staat of
van een internationale organisatie krachtens een internationale overeenkomst,
stelt de aangezochte staat het Hof daarvan in kennis en richt het Hof zijn
verzoek tot de derde staat of tot de internationale organisatie.
10. (a) Indien het Hof een verzoek in die zin ontvangt, kan het samenwerken met
een Staat die Partij is en die een onderzoek uitvoert of een proces houdt met
betrekking tot gedragingen die een misdaad vormen welke tot de bevoegdheid van
het Hof behoort of tot een ernstige misdaad krachtens de nationale wetgeving van
de verzoekende staat, en aan die staat bijstand verlenen.
(b) (i) De bijstand bestaat onder meer uit :
(1) de overzending van verklaringen, stukken of andere vormen van
bewijsmateriaal verkregen tijdens een onderzoek verricht door het Hof of tijdens
een proces gehouden door het Hof; en
(2) het verhoor van enig persoon die krachtens een bevel van het Hof in detentie
wordt gehouden.
(ii) In het geval bedoeld in punt a, b), i), 1 :
(1) vereist de overzending van stukken en van ander bewijsmateriaal verkregen
met bijstand van een staat, de toestemming van die staat;
(2) vindt de overzending van verklaringen, stukken en ander bewijsmateriaal
verstrekt door een getuige of een deskundige, plaats overeenkomstig de
bepalingen van artikel 68.
(c) Het Hof kan onder de voorwaarden omschreven in dit punt, gevolg geven aan
een verzoek tot bijstand ingediend door een staat die geen partij is bij dit
Statuut.
Artikel 94
Opschorting van de tenuitvoerlegging van een verzoek
wegens lopend onderzoek of aan de gang zijnde vervolging
1. Indien de onmiddellijke tenuitvoerlegging van een verzoek afbreuk kan doen
aan het goede verloop van een lopend onderzoek of aan de gang zijnde vervolging
in een andere zaak dan die waarop het verzoek betrekking heeft, kan de
aangezochte staat de tenuitvoerlegging ervan opschorten gedurende een termijn
vastgesteld in overleg met het Hof. De opschorting mag evenwel niet langer duren
dan noodzakelijk is voor de succesvolle afhandeling van het onderzoek of van de
vervolging in de aangezochte staat. Alvorens te beslissen de tenuitvoerlegging
van het verzoek op te schorten, gaat de aangezochte staat na of de bijstand
onder bepaalde voorwaarden onmiddellijk kan worden verleend.
2. Indien overeenkomstig het eerste punt wordt besloten de tenuitvoerlegging van
het verzoek op te schorten, kan de aanklager evenwel vragen dat maatregelen
worden getroffen ter bescherming van het bewijsmateraal zoals is bepaald in
artikel 93, eerste punt, j.
Artikel 95
Opschorting van de tenuitvoerlegging van een verzoek
wegens exceptie van niet-ontvankelijkheid
Onder voorbehoud van artikel 53, tweede punt, kan in het geval waarin het Hof
een exceptie van niet-ontvankelijkheid krachtens artikel 18 of 19 onderzoekt, de
aangezochte staat de tenuitvoerlegging van een verzoek gedaan op grond van dit
hoofdstuk opschorten, in afwachting dat het Hof uitspraak doet, tenzij het Hof
uitdrukkelijk heeft bepaald dat de aanklager de bewijsgaring overeenkomstig
artikel 18 of 19 kan voortzetten.
Artikel 96
Inhoud van een verzoek inzake andere vormen van samenwerking bedoeld in artikel
93
1. Verzoeken inzake andere vormen van samenwerking bedoeld in artikel 93 worden
schriftelijk gedaan. In spoedeisende gevallen kan het verzoek worden gedaan aan
de hand van enig middel dat een schriftelijk bewijs biedt, op voorwaarde dat het
wordt bevestigd op de wijze omschreven in artikel 87, eerste punt, a.
2. Het verzoek bevat of wordt gestaafd door een dossier met de volgende stukken
:
(a) een beknopt overzicht van het onderwerp van het verzoek en van de aard van
de gevraagde bijstand, daaronder begrepen de juridische grondslag en de gronden
van het verzoek;
(b) zo gedetailleerd mogelijke informatie omtrent de persoon of de plaats die
moet worden geïdentificeerd of gevonden teneinde de gevraagde bijstand te
kunnen verlenen;
(c) beknopt overzicht van de essentiële feiten waarop het verzoek is gegrond;
(d) een toelichtend verslag en een gedetailleerde uiteenzetting van de
procedures of van de voorwaarden die in acht moeten worden genomen;
(e) gegevens die op grond van de wetgeving van de aangezochte staat vereist
kunnen zijn om gevolg te geven aan het verzoek;
(f) enig ander gegeven dat nuttig kan zijn om de gevraagde bijstand te kunnen
verlenen.
3. Op verzoek van het Hof pleegt een Staat die Partij is, overleg met het Hof,
hetzij in het algemeen, hetzij met betrekking tot een bepaalde zaak, over de
voorwaarden bepaald in zijn nationale wetgeving die krachtens het tweede punt,
e, van toepassing zouden kunnen zijn. Bij dit overleg stelt de Staat die Partij
is, het Hof in kennis van de bijzondere vereisten van zijn nationale wetgeving.
4. De bepalingen van dit artikel zijn, in voorkomend geval, eveneens van
toepassing op een verzoek tot bijstand gericht aan het Hof.
Artikel 97
Overleg
Wanneer een Staat die Partij is op grond van dit hoofdstuk een verzoek ontvangt
in verband waarmee het vaststelt dat het verzoek moeilijkheden meebrengt die de
tenuitvoerlegging ervan kunnen belemmeren of verhinderen, pleegt die staat
onverwijld overleg met het Hof teneinde het probleem op te lossen. Het kan
hierbij onder meer om volgende moeilijkheden gaan :
(a) de gegevens zijn ontoereikend om gevolg te geven aan het verzoek;
(b) in het geval van een verzoek tot overdracht, blijft de betrokken persoon
ondanks alle inspanningen onvindbaar of blijkt uit het opsporingsonderzoek dat
de persoon gedetineerd in de aangezochte staat kennelijk niet de persoon is op
wie het bevel betrekking heeft; of
(c) de aangezochte staat zou om aan het verzoek in zijn huidige vorm gevolg te
kunnen geven, verplicht zijn een verbintenis uit een overeenkomst te schenden
die hij reeds met een andere staat heeft aangegaan.
Artikel 98
Samenwerking bij afstand van immuniteit en instemming met overdracht
1. Het Hof kan geen verzoek tot bijstand voorleggen dat de aangezochte staat zou
verplichten te handelen op een wijze die onverenigbaar is met de verplichtingen
die hij op grond van het internationale recht inzake immuniteit van staten of
diplomatieke immuniteit van personen of goederen van een derde staat moet
nakomen, tenzij het Hof vooraf de medewerking van die derde staat verkrijgt met
het oog op de afstand van de immuniteit.
2. Het Hof kan geen verzoek tot overdracht voorleggen dat de aangezochte staat
zou verplichten te handelen op een wijze die onverenigbaar is met de
verplichtingen die hij moet nakomen op grond van internationale overeenkomsten
naar luid waarvan de instemming van de Staat van afzending is vereist opdat een
persoon van die Staat aan het Hof wordt overgedragen, tenzij het Hof in die zin
de medewerking van de Staat van afzending verkrijgt dat deze laatste met de
overdracht instemt.
Artikel 99
Behandeling van verzoeken ingediend op grond van de artikelen 93 en 96
1. De aangezochte Staat geeft gevolg aan verzoeken tot bijstand overeenkomstig
de procedure bepaald in zijn wetgeving en, tenzij zulks krachtens die wetgeving
is verboden, op de wijze gevraagd in het verzoek. Hij past inzonderheid de
procedure toe die in het verzoek is vermeld of machtigt de personen aangewezen
in het verzoek om aanwezig te zijn bij en deel te nemen aan de tenuitvoerlegging
ervan.
2. In geval van een dringend verzoek worden de stukken of het bewijsmateriaal
overgelegd om daarop te antwoorden, op verzoek van het Hof, met spoed verzonden.
3. De antwoorden van de aangezochte Staat worden meegedeeld in hun
oorspronkelijke taal en vorm.
4. Wanneer dit noodzakelijk is voor de succesvolle tenuitvoerlegging van een
verzoek dat kan worden uitgevoerd zonder dwangmaatregelen, zoals bijvoorbeeld
het verhoren of het afnemen van een verklaring van een persoon die vrijwillig
handelt, daaronder begrepen in afwezigheid van de autoriteiten van de
aangezochte staat indien zulks essentieel is voor de goede tenuitvoerlegging van
het verzoek, en het onderzoek van openbare terreinen of plaatsen zonder die te
wijzigen, kan de aanklager onverminderd de overige artikelen van dit hoofdstuk
het verzoek rechtstreeks op het grondgebied van een staat ten uitvoer leggen op
de volgende wijzen :
(a) wanneer de aangezochte staat de staat is op het grondgebied waarvan de
misdaad beweerdelijk is gepleegd en een beslissing is getroffen omtrent de
ontvankelijkheid zoals omschreven in artikel 18 of 19, kan de aanklager het
verzoek rechtstreeks ten uitvoer leggen na met de aangezochte Staat in zo ruim
mogelijke mate overleg te hebben gepleegd;
(b) in de andere gevallen kan de aanklager het verzoek ten uitvoer leggen na
overleg met de aangezochte Staat die Partij is en met inachtneming van de
redelijke voorwaarden die deze Staat eventueel heeft ingeroepen of van de
bezorgdheid die hij heeft geuit. Wanneer de aangezochte Staat vaststelt dat de
tenuitvoerlegging van een verzoek op grond van dit lid moeilijkheden meebrengt,
pleegt hij onverwijld overleg met het Hof teneinde het probleem op te lossen.
5. De bepalingen op grond waarvan personen gehoord of ondervraagd door het Hof
overeenkomstig artikel 72 gemachtigd zijn de beperkingen in te roepen waarin is
voorzien teneinde de bekendmaking te voorkomen van vertrouwelijke gegevens
betreffende de landsverdediging of de nationale veiligheid, zijn eveneens van
toepassing op de tenuitvoerlegging van verzoeken tot bijstand gedaan op grond
van dit artikel.
Artikel 100
Kosten
1. De gewone kosten voor tenuitvoerlegging van verzoeken op het grondgebied van
de aangezochte Staat worden gedragen door die Staat, met uitzondering van de
volgende kosten, die worden gedragen door het Hof :
(a) kosten verbonden aan de reizen en aan de veiligheid van getuigen en
deskundigen of aan de overbrenging van gedetineerden krachtens artikel 93;
(b) kosten voor vertalen, tolken en overschrijven;
(c) reis- en verblijfkosten van rechters, van de aanklager, van de
substituut-aanklager, van de griffier, de substituut-griffier en van het
personeel van organen van het Hof;
(d) kosten voor deskundigenonderzoek en verslagen waarom het Hof heeft verzocht;
(e) kosten verbonden aan het vervoer van personen overgedragen door de staat
waar zij zijn gedetineerd; en
(f) na overleg, buitengewone kosten die de tenuitvoerlegging van een verzoek
kunnen meebrengen.
2. De bepalingen van het eerste punt zijn indien mogelijk van toepassing op de
verzoeken die de Staten die Partij zijn aan het Hof richten. In dat geval draagt
het Hof de gewone kosten van tenuitvoerlegging.
Artikel 101
Specialiteitsbeginsel
1. Een persoon die krachtens dit Statuut aan het Hof is overgedragen wordt niet
vervolgd, gestraft of in detentie gehouden wegens gedragingen begaan voorafgaand
aan de overdracht, tenzij zij een bestanddeel vormen van misdaden waarvoor die
persoon is overgedragen.
2. Het Hof kan de staat die een persoon aan het Hof heeft overgedragen, vragen
dat wordt afgeweken van de voorwaarden gesteld in het eerste punt. Indien nodig
verstrekt het Hof aanvullende informatie overeenkomstig artikel 91. Staten die
Partij zijn kunnen aan het Hof een afwijking toestaan en moeten trachten dit te
doen.
Artikel 102
Terminologie
Voor de toepassing van dit Statuut :
(a) wordt onder « overdracht » verstaan het feit dat een staat een persoon
krachtens dit statuut aan het Hof overdraagt.
(b) wordt onder « uitlevering » verstaan het feit dat een staat een persoon op
grond van een verdrag, een overeenkomst of de nationale wetgeving aan een andere
staat overdraagt.
HOOFDSTUK X. - Tenuitvoerlegging
Artikel 103
Rol van de staten bij de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen
1. (a) Een gevangenisstraf wordt ondergaan in de staat die door het Hof wordt
aangewezen uit een lijst van staten die het Hof te kennen hebben gegeven bereid
te zijn veroordeelde personen te aanvaarden.
(b) Wanneer een staat verklaart bereid te zijn veroordeelde personen te
aanvaarden, die aanvaarding afhankelijk stellen van voorwaarden die het Hof moet
erkennen en conform moeten zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk.
(c) Een in een bepaalde zaak aangewezen staat deelt het Hof onverwijld mee of
hij zijn aanwijzing al dan niet aanvaardt.
2. (a) De staat belast met de tenuitvoerlegging stelt het Hof in kennis van alle
omstandigheden, daaronder begrepen de inachtneming van de voorwaarden
overeengekomen op grond van het eerste punt, die de voorwaarden of de duur van
de opsluiting aanzienlijk kunnen beïnvloeden. Het Hof wordt ten minste 45 dagen
vooraf in kennis gesteld van dergelijke bekende of voorzienbare omstandigheden.
Gedurende deze periode neemt de staat belast met de tenuitvoerlegging geen
maatregelen die strijdig kunnen zijn met de bepalingen van artikel 110.
(b) Indien het Hof de wijziging in de omstandigheden bedoeld in (a) niet kan
aanvaarden, stelt het de staat belast met de tenuitvoerlegging daarvan in kennis
en handelt het overeenkomstig artikel 104, eerste punt.
3. Het Hof kan bij de uitoefening van zijn recht tot aanwijzing krachtens het
eerste punt rekening houden met :
(a) het beginsel dat de Staten die Partij zijn overeenkomstig de beginselen
inzake billijke verdeling gehuldigd in het Reglement voor de proces- en
bewijsvoering de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van
gevangenisstraffen moeten delen;
(b) de algemeen aanvaarde bepalingen uit het internationale verdragsrecht die de
behandeling van gedetineerden regelen;
(c) de mening van de veroordeelde persoon;
(d) de nationaliteit van de veroordeelde persoon;
(e) enige andere omstandigheid met betrekking tot de misdaad, tot de situatie
van de veroordeelde persoon of tot de werkelijke tenuitvoerlegging van de straf
die relevant kan zijn voor de keuze van de staat belast met de
tenuitvoerlegging.
4. Indien krachtens het eerste punt geen staat wordt aangewezen, wordt de
gevangenisstraf ondergaan in een strafinrichting van de Gaststaat ter
beschikking onder de voorwaarden gesteld in de zetelovereenkomst bedoeld in
artikel 3, tweede punt. In dat geval worden de kosten verbonden aan de
tenuitvoerlegging van de straf gedragen door het Hof.
Artikel 104
Wijziging in de aanwijzing van de staat
belast met de tenuitvoerlegging
1. Het Hof kan te allen tijde beslissen een veroordeelde persoon over te brengen
naar een gevangenis van een andere staat.
2. Een veroordeelde persoon kan te allen tijde het Hof verzoeken te worden
overgebracht uit de staat belast met de tenuitvoerlegging.
Artikel 105
Tenuitvoerlegging van de straf
1. Onder voorbehoud van de voorwaarden die een staat overeenkomstig artikel 103,
eerste punt, b, eventueel heeft gesteld, moeten de Staten die Partij zijn de
gevangenisstraf ten uitvoer leggen en kunnen zij de straf in geen geval
wijzigen.
2. Alleen het Hof kan uitspraak doen over een verzoek tot herziening van zijn
beslissing betreffende de schuld of de straf. De staat belast met de
tenuitvoerlegging mag de veroordeelde persoon niet hinderen een dergelijk
verzoek in te dienen.
Artikel 106
Toezicht op de tenuitvoerlegging van de straf en detentievoorwaarden
1. De tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf is onderworpen aan het toezicht
van het Hof. Zij moet in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde
bepalingen uit het internationale verdragsrecht inzake de behandeling van
gedetineerden.
2. De detentievoorwaarden zijn vastgesteld in de wetgeving van de staat belast
met de tenuitvoerlegging. Die voorwaarden zijn in overeenstemming met de
algemeen aanvaarde bepalingen uit het internationale verdragsrecht inzake de
behandeling van gedetineerden. Zij kunnen in geen geval gunstiger of ongunstiger
zijn dan die welke in de staat belast met de tenuitvoerlegging gelden voor
gedetineerden die voor gelijkaardige misdrijven veroordeeld zijn.
3. Mededelingen tussen een veroordeelde persoon en het Hof zijn vrij en
vertrouwelijk.
Artikel 107
Overbrenging van veroordeelden die hun straf hebben ondergaan
1. Nadat de straf is ondergaan kan een persoon die geen onderdaan is van de
staat belast met de tenuitvoerlegging, overeenkomstig de wetgeving van die
laatste staat worden overgebracht naar een andere staat die ermee instemt de
persoon op te vangen of verplicht is zulks te doen, of naar een andere staat die
ermee instemt de persoon op te vangen, ingevolge zijn wens naar die staat te
worden overgebracht, tenzij de staat belast met de tenuitvoerlegging betrokkene
machtigt om op zijn grondgebied te blijven.
2. Indien geen staat de kosten draagt die voortvloeien uit de overbrenging van
de veroordeelde naar een andere staat krachtens het eerste punt, worden die
kosten gedragen door het Hof.
3. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 108 kan de staat waar
betrokkene in detentie wordt gehouden, overeenkomstig zijn wetgeving die persoon
ook uitleveren of op enige andere wijze overdragen aan de staat die om zijn
uitlevering of overdracht heeft verzocht met het oog op een vonnis of
tenuitvoerlegging van een straf.
Artikel 108
Beperkingen op het stuk van de vervolging of de veroordeling wegens andere
misdrijven
1. Een veroordeelde persoon gedetineerd in de staat belast met de
tenuitvoerlegging kan niet worden vervolgd, veroordeeld of uitgeleverd aan een
derde staat wegens gedragingen begaan voorafgaand aan zijn overbrenging naar de
staat belast met de tenuitvoerlegging, tenzij het Hof op verzoek van die laatste
staat die vervolging, veroordeling of uitlevering heeft goedgekeurd.
2. Het Hof doet uitspraak over de zaak na de veroordeelde te hebben gehoord.
3. Punt 1 houdt op van toepassing te zijn wanneer de veroordeelde vrijwillig
meer dan 30 dagen verblijft op het grondgebied van de staat belast met de
tenuitvoerlegging nadat hij zijn volledige door het Hof opgelegde straf heeft
ondergaan, of naar het grondgebied van die staat terugkeert na het te hebben
verlaten.
Artikel 109
Betaling van geldboeten en tenuitvoerlegging
van maatregelen houdende verbeurdverklaring
1. De Staten die Partij zijn zorgen voor de tenuitvoerlegging van geldboeten en
van maatregelen houdende verbeurdverklaring bevolen door het Hof krachtens
Hoofdstuk 7, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw en
overeenkomstig de procedure bepaald in hun nationale wetgeving.
2. Indien een Staat die Partij is geen gevolg kan geven aan een bevel tot
verbeurdverklaring, treft hij de nodige maatregelen om de waarde te verhalen van
de opbrengst, van de goederen of vermogensbestanddelen, waarvan het Hof de
verbeurdverklaring heeft bevolen, zulks onverminderd de rechten van derden te
goeder trouw.
3. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in
voorkomend geval, van andere goederen verkregen door een Staat die Partij is,
worden verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Hof,
worden aan het Hof overgedragen.
Artikel 110
Onderzoek door het Hof van een strafvermindering
1. De staat belast met de tenuitvoerlegging kan de gedetineerde persoon niet in
vrijheid stellen vooraleer de straf opgelegd door het Hof is beëindigd.
2. Alleen het Hof kan beslissen tot strafvermindering. Het doet uitspraak na de
veroordeelde te hebben gehoord.
3. Wanneer de persoon tweederde van zijn straf heeft ondergaan of, 25 jaar in
geval van levenslange gevangenisstraf, beoordeelt het Hof de straf opnieuw om te
bepalen of zij moet worden verminderd. Eerder vindt geen nieuw onderzoek plaats.
4. Bij het nieuw onderzoek bedoeld in het derde punt kan het Hof de straf
verminderen, indien het vaststelt dat een of meer van de volgende voorwaarden
zijn vervuld :
(a) betrokkene van bij de aanvang en voortdurend zijn bereidheid getoond om het
Hof medewerking te verlenen bij zijn onderzoek en vervolgingen;
(b) betrokkene heeft spontaan de tenuitvoerlegging van de beslissingen en van
beschikkingen van het Hof in andere gevallen vergemakkelijkt, in het bijzonder
door het te helpen vermogensbestanddelen te lokaliseren waarop beslissingen
houdende verbeurdverklaring ervan of de betaling van een geldboete of
herstelbetalingen betrekking hadden, en die ten behoeve van de slachtoffers
kunnen worden aangewend; of
(c) andere factoren omschreven in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering
tonen aan dat zich een duidelijke wijziging in de omstandigheden heeft
voorgedaan met aanzienlijke gevolgen, welke van die aard zijn dat zij een
strafvermindering rechtvaardigen.
5. Indien het Hof bij het nieuw onderzoek bedoeld in het derde punt bepaalt dat
de straf niet moet worden verminderd, onderzoekt het daarna opnieuw die vraag op
de tijdstippen bepaald in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering en
overeenkomstig de criteria die daarin zijn vastgesteld.
Artikel 111
Ontvluchting
Indien een veroordeelde zijn plaats van detentie, en daarna de staat belast met
de tenuitvoerlegging van de straf ontvlucht, kan die staat na het Hof te hebben
geraadpleegd aan de staat waar de veroordeelde persoon zich bevindt, vragen die
persoon aan hem over te dragen krachtens geldende bilaterale of multilaterale
overeenkomsten, of aan het Hof vragen dat het op grond van hoofdstuk 9 om de
overdracht van die persoon verzoekt. Indien het Hof om de overdracht van een
persoon verzoekt, kan het vragen dat die persoon hetzij wordt overgedragen aan
de staat waarin betrokkene zijn straf onderging, hetzij aan een andere staat die
het Hof aanwijst.
HOOFDSTUK XI. - Vergadering van Staten die partij zijn
Artikel 112
Vergadering van Staten die Partij zijn
1. Een Vergadering van Staten die Partij zijn bij dit Statuut wordt hierbij
ingesteld. Elke Staat die Partij is, beschikt in de Vergadering over een
vertegenwoordiger, die kan worden bijgestaan door plaatsvervangers en adviseurs.
De andere staten die dit Statuut of de Slotakte hebben ondertekend, kunnen in de
Vergadering als waarnemer zetelen.
2. De Vergadering :
(a) onderzoekt de aanbevelingen van de Voorbereidende Commissie en keurt ze,
indien nodig, goed;
(b) verstrekt aan het voorzitterschap, aan de aanklager en aan de griffier
algemene richtlijnen met betrekking tot het bestuur van het Hof;
(c) onderzoekt de verslagen en activiteiten van het krachtens het derde punt
opgerichte bureau en neemt de maatregelen die zij meebrengen;
(d) onderzoekt de begroting van het Hof en stelt ze vast;
(e) beslist overeenkomstig artikel 36 of het aantal rechters moet worden
gewijzigd;
(f) onderzoekt overeenkomstig artikel 87, punten 5 en 7, problemen inzake
niet-medewerking van staten;
(g) oefent enige andere functie uit die verenigbaar is met de bepalingen van dit
Statuut en van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
3. (a) De Vergadering beschikt over een Bureau samengesteld uit een voorzitter,
twee ondervoorzitters en uit 18 leden die voor een ambtstermijn van drie jaar
door de Vergadering worden gekozen.
(b) Het Bureau heeft een representatief karakter, waarbij in het bijzonder
rekening wordt gehouden met het beginsel van een billijke geografische verdeling
en met de noodzaak om de belangrijkste rechtsstelsels van de wereld op passende
wijze te vertegenwoordigen.
(c) Het Bureau vergadert zo vaak als nodig is, doch ten minste een maal per
jaar. Het helpt de Vergadering bij de vervulling van haar taken.
4. De Vergadering richt bijkomende organen op indien zij zulks noodzakelijk
acht, onder meer een onafhankelijk controlemechanisme dat inspecties, evaluaties
en onderzoek verricht opdat het Hof zo doeltreffend en goedkoop mogelijk wordt
bestuurd.
5. De voorzitter van het Hof, de aanklager en de griffier of hun
vertegenwoordigers kunnen, indien nodig, deelnemen aan bijeenkomsten van de
Vergadering en van het Bureau.
6. De Vergadering komt een maal per jaar bijeen op de zetel van het Hof of op
die van de Verenigde Naties en houdt aldaar, indien omstandigheden daartoe
aanleiding geven, buitengewone zittingen. Tenzij in dit Statuut anders is
bepaald, worden bijzondere zittingen bijeengeroepen door het Bureau, hetzij
ambtshalve, hetzij op verzoek van een derde van de Staten die Partij zijn.
7. Elke Staat die Partij is, heeft een stem. De Vergadering en het Bureau
stellen alles in het werk om hun beslissingen bij consensus te nemen. Indien
geen consensus kan worden bereikt, en tenzij in het Statuut anders is bepaald :
(a) worden beslissingen omtrent inhoudelijke vraagstukken genomen bij tweederde
meerderheid van de aanwezige en stemmende leden, waarbij de absolute meerderheid
van Staten die Partij zijn het quorum voor de stemming vormt;
(b) worden beslissingen omtrent procedurele vraagstukken genomen bij gewone
meerderheid van de aanwezige en stemmende Staten die Partij zijn.
8. Een Staat die Partij is en die achterop is met de betaling van zijn bijdrage
in de kosten van het Hof, kan noch in de Vergadering noch in het Bureau aan de
stemming deelnemen indien het bedrag van de achterstallen gelijk is aan of hoger
dan de bijdrage verschuldigd voor de voorbije twee jaar. Niettemin kan de
Vergadering die Staat toestaan in de Vergadering en in het Bureau aan de
stemming deel te nemen indien zij vaststelt dat het uitblijven van de betaling
te wijten is aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van die Staat.
9. De Vergadering stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.
10. De officiële talen en de werktalen van de Vergadering van de Staten die
Partij zijn, zijn die van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
HOOFDSTUK XII. - Financiering
Artikel 113
Financiële regeling en regels inzake financieel beheer
Behoudens uitdrukkelijk andersluidend beding worden alle financiële zaken in
verband met het Hof en de bijeenkomsten van de Vergadering van Staten die Partij
zijn, met inbegrip van haar Bureau en hulporganen, geregeld door dit Statuut,
door de financiële regeling en door de regels inzake financieel beheer die de
Vergadering van Staten die Partij zijn, heeft goedgekeurd.
Artikel 114
Betaling van de uitgaven
De uitgaven van het Hof en van de Vergadering van Staten die Partij zijn, met
inbegrip van haar Bureau en hulporganen, worden betaald uit de fondsen van het
Hof.
Artikel 115
Fondsen van het Hof en van de Vergadering van Staten die Partij zijn
De uitgaven van het Hof en van de Vergadering van Staten die Partij zijn, met
inbegrip van haar Bureau en hulporganen, zoals ingeschreven op de begroting
vastgesteld door de Vergadering van Staten die Partij, worden gefinancierd met
de volgende middelen :
(a) de bijdragen van de Staten die Partij zijn;
(b) de fondsen verstrekt door de Verenigde Naties, onder voorbehoud van de
instemming door de Algemene Vergadering, inzonderheid met betrekking tot
uitgaven verbonden aan zaken die de Veiligheidsraad bij het Hof aanhangig heeft
gemaakt.
Artikel 116
Vrijwillige bijdragen
Onverminderd artikel 115 kan het Hof vrijwillige bijdragen van Regeringen,
internationale organisaties, particulieren, ondernemingen en andere entiteiten,
ontvangen en aanwenden als aanvullende fondsen, volgens de criteria die de
Vergadering van Staten die Partij zijn, terzake heeft vastgesteld.
Artikel 117
Berekening van bijdragen
De bijdragen van de Staten die Partij zijn worden berekend volgens een
overeengekomen verdeelsleutel gegrond op de schaal die de Verenigde Naties voor
haar normale begroting heeft goedgekeurd en die is aangepast overeenkomstig de
beginselen waarop die schaal is gegrond.
Artikel 118
Jaarlijkse controle van de rekeningen
De verslagen, boeken en rekeningen van het Hof, met inbegrip van zijn
jaarrekeningen, worden jaarlijks gecontroleerd door een onafhankelijk
controleur.
HOOFDSTUK XIII. -Slotbepalingen
Artikel 119
Regeling van geschillen
1. Elk geschil met betrekking tot de rechterlijke taken van het Hof wordt
beslecht bij beslissing van het Hof.
2. Elk ander geschil tussen twee of meer Staten die Partij zijn met betrekking
tot de interpretatie of toepassing van dit Statuut dat niet binnen drie maanden
na aanvang ervan door middel van onderhandelingen is opgelost, wordt verwezen
naar de Vergadering van Staten die Partij zijn. De Vergadering kan zelf trachten
het geschil te beslechten of aanbevelingen doen inzake andere middelen ter
beslechting van het geschil, met inbegrip van verwijzing naar het Internationale
Hof van Justitie overeenkomstig het Statuut van dat Hof.
Artikel 120
Voorbehoud
Dit Statuut staat geen enkel voorbehoud toe.
Artikel 121
Amendementen
1. Na het verstrijken van een periode van zeven jaar te rekenen van de
inwerkingtreding van dit Statuut kan een Staat die Partij is, amendementen
daarop voorstellen. De tekst van een voorgesteld amendement wordt aan de
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voorgelegd, die deze onverwijld aan
alle Staten die Partij zijn bezorgt.
2. Ten minste drie maanden na de datum van deze kennisgeving beslist de
Vergadering van Staten die Partij zijn op de eerstvolgende vergadering bij
meerderheid van de aanwezige en stemmende leden of zij het voorstel al dan niet
in behandeling nemen. De Vergadering kan het voorstel zelf behandelen of een
Herzieningsconferentie bijeenroepen indien de zaak zulks verantwoordt.
3. De goedkeuring van een amendement tijdens een bijeenkomst van de Vergadering
van Staten die Partij zijn of tijdens een Herzieningsconferentie, vereist,
indien geen consensus kan worden bereikt, tweederde meerderheid van de Staten
die Partij zijn.
4. Onder voorbehoud van de bepalingen van het vijfde punt treedt een amendement
ten aanzien van alle Staten die Partij zijn in werking een jaar nadat
zevenachtste onder hen hun akten van bekrachtiging of aanvaarding bij de
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties hebben neergelegd.
5. Een amendement op artikel 5 van dit Statuut treedt ten aanzien van de Staten
die Partij zijn en het hebben aanvaard in werking een jaar na neerlegging van
hun akten van bekrachtiging of aanvaarding. Het Hof oefent zijn bevoegdheid ten
opzichte van een misdaad waarop het amendement betrekking heeft, slechts uit
wanneer die misdaad is gepleegd door een onderdaan van een Staat die Partij is
en het amendement niet heeft aanvaard of op het grondgebied van die Staat.
6. Indien een amendement overeenkomstig het vierde punt is aanvaard door
zevenachtste van de Staten die Partij zijn, kan een Staat die Partij is en het
amendement niet heeft aanvaard zich met onmiddellijke ingang terugtrekken uit
dit Statuut, zulks onverminderd artikel 127, eerste punt, maar onder voorbehoud
van het tweede punt ervan, waarbij die Staat ten laatste een jaar na
inwerkingtreding van het amendement kennis moet geven van zijn terugtrekking uit
dit Staat
7. De Secretaris-generaal van de Verenigde Naties stelt alle Staten die Partij
zijn in kennis van een amendement die tijdens een bijeenkomst van de Vergadering
van Staten die Partij zijn of tijdens een Herzieningsconferentie is goedgekeurd.
Artikel 122
Amendementen op bepalingen van institutionele aard
1. Onverminderd artikel 121, eerste punt, kan een Staat die Partij is
amendementen voorstellen op de bepalingen van het Statuut die van louter
institutionele aard zijn, te weten de artikelen 35, 36, punten 8 en 9, 37, 38,
39, eerste punt (eerste twee volzinnen), 2 en 4, 42, punten 4 tot 9, 43, punten
2 en 3, 44, 46, 47 en 49. De tekst van ieder voorgesteld amendement wordt
voorgelegd aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties of aan enig ander
persoon aangewezen door de Vergadering van Staten die Partij zijn. De
Secretaris-generaal of de aangewezen persoon bezorgen het onverwijld aan alle
Staten die Partij zijn en aan de andere deelnemers aan de Vergadering.
2. Amendementen krachtens dit artikel waarover geen consensus kan worden
bereikt, worden door de Vergadering van de Staten die Partij zijn of door een
Herzieningsconferentie goedgekeurd bij een tweederde meerderheid van de Staten
die Partij zijn. Dergelijke amendementen treden ten aanzien van alle Staten die
Partij zijn in werking zes maanden na goedkeuring ervan door de Vergadering of
door de Herzieningsconferentie.
Artikel 123
Herziening van het Statuut
1. Zeven jaar na de inwerkingtreding van dit Statuut roept de
Secretaris-generaal van de Verenigde Naties een Herzieningsconferentie bijeen om
alle amendementen op dit Statuut te onderzoeken. Het onderzoek kan onder meer
maar niet uitsluitend betrekking hebben op de lijst van misdaden bedoeld in
artikel 5. De Conferentie is onder dezelfde voorwaarden toegankelijk voor de
deelnemers aan de Vergadering van de Staten die Partij zijn.
2. Daarna kan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties op verzoek van een
Staat die Partij is en met het doel omschreven in het eerste punt, na instemming
van de meerderheid van de Staten die Partij zijn, op ieder tijdstip een
Herzieningsconferentie bijeenroepen.
3. De goedkeuring en de inwerkingtreding van amendementen op het Statuut die
tijdens een Herzieningsconferentie zijn onderzocht, worden geregeld door het
bepaalde in artikel 121, punten 3 tot 7.
Artikel 124
Overgangsbepaling
Onverminderd het bepaalde in artikel 12, eerste punt, kan een staat, die partij
bij het Statuut wordt, verklaren dat hij gedurende een periode van zeven jaar te
rekenen van de inwerkingtreding van dit Statuut voor de betrokken staat, ten
aanzien van hem de bevoegdheid van het Hof niet aanvaardt met betrekking tot de
categorie misdaden bedoeld in artikel 8, wanneer een misdaad beweerdelijk is
gepleegd door zijn onderdanen of op zijn grondgebied. De betrokken staat kan die
verklaring te allen tijde intrekken. De bepalingen van dit artikel worden
opnieuw onderzocht tijdens de Herzieningsconferentie bijeengeroepen
overeenkomstig artikel 123, eerste punt.
Artikel 125
Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding
1. Dit Statuut wordt op 17 juli 1998 voor ondertekening door alle Staten
opengesteld op de zetel van de Voedsel- en Landbouworganisatie der Verenigde
Naties te Rome. Daarna blijft het tot 17 oktober 1998 ter ondertekening open op
het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Italië te Rome en na die datum tot 31
december 2000 op de zetel van de Verenigde Naties te New York.
2. Dit Statuut is onderworpen aan bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door
de staten die het ondertekenen. Akten van bekrachtiging, aanvaarding of
goedkeuring worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde
Naties.
3. Dit Statuut staat open voor toetreding door alle staten. Akten van toetreding
worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
Artikel 126
Inwerkingtreding
1. Dit Statuut treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op de 60ste
dag te rekenen van de datum van neerlegging van de 60ste akte van bekrachtiging,
aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de Secretaris-generaal van de
Verenigde Naties.
2. Ten aanzien van elke staat die dit Statuut bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt
of daartoe toetreedt na neerlegging van de 60ste akte van bekrachtiging,
aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Statuut in werking de eerste
dag van de maand volgend op de 60ste dag te rekenen van de neerlegging door die
staat van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
Artikel 127
Terugtrekking
1. Een Staat die Partij is kan zich bij schriftelijke kennisgeving gericht aan
de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties terugtrekken uit dit Statuut. De
terugtrekking treedt in werking een jaar na de datum van ontvangst van de
kennisgeving, tenzij daarin een latere datum is bepaald.
2. Een staat wordt niet vanwege zijn terugtrekking ontslagen van de
verplichtingen voortvloeiend uit dit Statuut wanneer hij bij het Statuut was,
met inbegrip van alle financiële verplichtingen die kunnen zijn ontstaan. Zijn
terugtrekking mag geen nadelige invloed hebben op de medewerking met het Hof bij
strafrechtelijk onderzoek en rechtspleging in verband waarmee de staat die zich
terugtrekt de plicht had mee te werken en die waren aangevat vóór de datum
waarop de terugtrekking in werking trad, noch mag de terugtrekking op enigerlei
wijze afbreuk doen aan de voortzetting van de behandeling van een zaak die het
Hof reeds vóór de datum waarop de terugtrekking van kracht werd, in
behandeling had.
Artikel 128
Authentieke teksten
Het origineel van dit Statuut, waarvan de Arabische, Chinese, Engelse, Franse,
Russische en Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt neergelegd bij de
Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die een voor eensluidend verklaard
afschrift daarvan aan alle staten toezendt.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun
respectieve regeringen, dit Statuut hebben ondertekend.
Gedaan te Rome op 17 juli 1998.
STATUUT VAN ROME VAN HET INTERNATIONAAL STRAFGERECHTSHOF, GEDAAN TE ROME OP 17
JULI 1998
LIJST MET DE GEBONDEN STATEN
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Deze overeenkomst is nog niet in werking getreden. De datum van inwerkingtreding
zal later gepubliceerd worden.
Statuut Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te Rome, op 17 juli 1998
Verklaring van het Koninkrijk België inzake het artikel 31, § 1, c.
« In overeenstemming met artikel 21, § 1, b, van het Statuut en rekening
houdend met de regels van het internationaal humanitair recht waarvan niet kan
afgeweken worden, is de Belgische Regering van mening dat artikel 31, § 1, c,
van het Statuut enkel kan toegepast en geïnterpreteerd worden in
overeenstemming met die regels. »
Verklaring van het Koninkrijk België inzake het artikel 87, § 1.
« Verwijzend naar het artikel 87, paragraaf 1, van het Statuut verklaart het
Koninkrijk België dat het Ministerie van Justitie de bevoegde autoriteit is om
de verzoeken om samenwerking te ontvangen. »
« Verklaring van het Koninkrijk België inzake het artikel 87, § 2.
« Verwijzend naar het artikel 87, § 2, verklaart het Koninkrijk België dat de
verzoeken om medewerking van het Hof en de stukken ter ondersteuning van het
verzoek dienen opgesteld te zijn in een officiële taal van het Koninkrijk. » .
Publicatie : 2000-12-01 |